Huwelijk halfzus-halfbroer
Dispensatie voor zo'n huwelijk was niet mogelijk.
Het Burgerlijk Wetboek van 1838 (zie home.wxs.nl/~vera0000/bw1838boek1titel5.html) bepaalde:
"86. Een jongman, den vollen ouderdom van achttien, en eene jongen dochter den vollen ouderdom van zestien jaren niet bereikt hebbende, mogen geen huwelijk aangaan.
De Koning kan echter, om gewigtige redenen, dit verbod door het verleenen van dispensatie opheffen.
87. Het huwelijk is verboden tusschen alle personen, die elkander bestaan in de opgaande en nederdalende linie, het zij door wettige, het zij door onwettige geboorte, of door aanhuwelijking; en in de zijdlinie tusschen broeder en zuster, wettige of onwettige.
88. Ook is het huwelijk verboden:
1°. Tusschen schoonbroeder en schoonzuster, wettige of onwettige;
2°. Tusschen oom of oud-oom en nicht of achter-nicht, mitsgaders tusschen moei of oudmoei en neef of achter-neef, wettige of onwettige.
De Koning kan, om gewigtige redenen, het verbod, in dit artikel vervat, door het verleenen van dispensatie opheffen. "
Voor artikel 87 bestond dus geen dispensatie mogelijkheid. Nietigheid van het huwelijk kon worden ingeroepen conform artikel 145 van dat wetboek: "De nietigheid van alle huwelijken, aangegaan met overtreding der bepalingen in art. 87, 88, 89 en 90 vervat, kan worden-ingeroepen, het zij door de eehtgenooten zelven, het zij door hunne ouders of bloedverwanten in de opgaande linie, het zij door allen die daarbij belang hebben, hetzij eindelijk door het openbaar ministerie. "