Testament 1806 AC van den Brink Arnhem [opgelost]
Op 13 mei 1806 laat Anna Christina van den Brink in Arnhem haar testament vastleggen
zie
http://jjkeevel.50webs.com/testament1.jpg en
http://jjkeevel.50webs.com/testament2.jpg
Ik kom een heel eind met de transcripte en vertaling maar net niet helemaal.
Graag jullie hulp bij de laatste loodjes.
TRANSCIPT
Die nogtans voor geadhibeerd gehouden hebben
Actum Arnhem den 13 Mai 1806.
Mij Prasent
(handtekening)
Coram Willem Reijnders Rz en Hendrik Willem Brouwer, Leden van de Magistraat der Stad Arnhem compareerde Anna Cristina van den Brink, weduwe van Hermannus Kevel, verklarende onder presentatie van Eede in gene mindere clasfen van gegoedheid te behoren, met ons gaande en staande en haar verfstand volkomen magtig welke overdenkende den Sekerheid des doods en onsekere ?? van dien en niet gaarne wijt deze waare willende Schijden dan bevorens over hare tijdenlijke Goederen te hebben gedisponeerd, verklaarde te casseren alle Dispositien, welke zij voor dato deses mogten hebben gemaakt, en alnu tredende tot het maken van dese hare laatste wille zoo verklaarde zij te legateeren zoo zij doet bij desen haar Klijnzoon Peter van Hees een bed met zijn toebehoren en twee groene Saaije Gordijnen, aan Willemijntje Kevel hare Klijndogter een blaauwe gestikte zijde rok en een zwart calminke dito met vier witte catoene Doeken.
Aan hare Zuster Hermina van den Brink een blaauwe Stoffe rok en vier witte doeken gemerkt ?? en een nieuw paarsen jas en aan haar broeder Janis van den Brink een witte wollen Deken, een paar bedlakens en een paar Kussen Slopen.
Eijndelijk verklaarde de Comparante tot Erfgenaamen van alle hare natelatene Goederen te nomineren en aantestellen ieder voor een geregt vijfde part haare Klijnkinderen met namen Hendrik Kevel, Cristiaan Kevel, Willem Kevel, Willemina Kevel en Arend Kevel, zoodanig dat bij voor overlijden van een of meer de geinstitueerde Erfgenamen des selfs of der selves aandeel op de overblijvende zal devolveren en vervallen.
Al ´t welke der Comparante laatste wille zijnde, verklaarde zij bij dese dat deselve zal bestaan, en effect sorteren, ´t zij als testament, Codicil, legaat gifte ofte zoo en als deselve best naar rechten zal kunnen bestaan schoon alle solemniteiten niet waren geadhibeerd, die Comparante voor geadhibeerd wilde gehouden hebben.
Actum Arnhem den 14 Maij 1806
Mij Prasent
(handtekening)
In de kantlijn
A.C. Van den Brink
Wedw. Van H. Kevel.
Den 16 Maij 1806 geexpadieert
op den zegel van eene gulden
VERTALING
Anna Cristina van den Brink, weduwe van Hermannus Kevel, compareerde (verscheen) op 13 mei 1806 voor Coram Willem Reijnders RZ en Hendrik Willem Brouwer, leden van de magistraat van de stad Arnhem. Voor hen verklaarde zij haar laatste wil.
Onder ede verklaarde zij niet tot een mindere klasse te behoren, goed bij haar verstand te zijn, en niet graag afstand te doen van haar goederen, en alle eerder gedane disposities (regelingen, besluiten) te casseren (vernietigen, verwerpen).
In deze laatste wil verklaarde zij te legateren (na te laten) aan
- haar kleinzoon Peter van Hees, een bed met toebehoren, twee groene saaie (=effen?) gordijnen
- haar kleindochter Willemijntje Kevel, een blauwe gestikte zijnde rok en een zwarte calminke (kostbare wollen stof met aan één zijde een satijnachtige glans) rok en vier witte katoenen doeken
- haar zuster Hermina van den Brink, een blauwe stoffen rok, vier witte doeken gemerkt met een ?? en een nieuw paars jasje
- haar broer Janis van den Brink, een witte wollen deken, een paar bedlakens en een paar kussenslopen.
Tot slot verklaarde comparante tot erfgenamen van al haar na te laten goederen te benoemen, ieder voor een eerlijk vijfde deel haar kleinkinderen, met name
- Hendrik Kevel
- Cristiaan Kevel
- Willem Kevel
- Willemina Kevel
- Arend Kevel
Bij overlijden van een of meer van de geïnstitueerde (vastgestelde) erfgenamen zal zijn/haar aandeel devolveren (overgaan) en vervallen.
Comparante verklaarde dat dit haar laatste wil is, hetzij als testament, codicil (wilsbeschikking), legaat (duidelijk omschreven goed of geld), of dergelijke met dezelfde rechtsgeldigheid zelfs indien niet alle plichtplegingen waren aangewend die comparante had willen aanwenden.
Waarvan akte Arnhem 14 mei 1806
In aanwezigheid