Wederom een mooi vondst Gerry! Had de mogelijkheid van Parijs ook nog opengehouden, maar Den Haag dus! Ze werd idd. weduwe genoemd tijdens haar gevangenneming in 1798. Maar ook daarvoor al, in 1795, toen zij Anthony Cornelis Martinus van Bommel als een voogd benoemde voor haar 14 jarige zoon uit het huwelijk van haar overleden man Theodorus Aloisius van Dinter. https://www.erfgoedleiden.nl/collecties/archieven/archievenoverzicht/scans/0506/194.1.5/start/310/limit/10/highlight/10
Even op een rij: Ik heb al behoorlijk wat zicht gekregen op mijn vraag m.b.t. het echtpaar Bommel/Kun en echtpaar Dinter/Koenen, waarvoor allen dank!
Anthony Cornelis van Bommel: ~14-01-1754 Leiden -- † 09-12-1803 Antwerpen oo 01-10-1783 Rijswijk (DTB) / 04-10-1783 Rotterdam Johanna Cornelia van der Kun: ~ ?? -- † 22-04-1805 Leiden
Theodorus Aloisius van Dinther: ~28-10-1753 Leiden -- † voor 1795 ?? oo omstreeks 1785 Maria Theresia Coenen: ~23-10-1752 Leiden -- † 12-04-1814 Den Haag
Zoals ik al eerder aangaf, was de aanleiding van de zoektocht naar de echtparen Bommel/Kun en Dinter/Koenen een document dat ik vond over mijn voorvader Gaudentius (zie discussiemoment 10 juli). Omdat vele documenten en discussiepunten zijn ingebracht in deze discussie zag ik door de bomen het bos af en toe niet meer. Daarom heb ik bovenstaande zoektocht eens voorgelegd aan AI. Hoewel je daar altijd voorzichtig mee moet zijn en de feitelijke bronnen ten grondslag moeten liggen aan het verhaal, wil ik jullie deze 'Haagse soap' toch niet onthouden:
Het juridische en financiële conflict rond de families Van Bommel en Van Dinter (1794–1814)
Aan het einde van de achttiende eeuw raakte het leven van de Leidse lakenhandelaar Anthony Cornelis Martinus van Bommel (gedoopt in 1754) verstrengeld in een complex netwerk van politieke veranderingen, zakelijke schulden en een persoonlijke relatie. Hoewel de eveneens in Leiden gedoopte Theodorus Aloisius van Dinter (1753) al vóór 1795 overleed en er over zijn eigen activiteiten in de stad weinig bekend is, vormde zijn nalatenschap de aanleiding voor een langdurig conflict. Het waren Anthony's echtgenote, Johanna Cornelia van der Kun, en Theodorus' weduwe, Maria Theresia Coenen, die samen met Anthony betrokken raakten in een reeks processen waarin familiekapitaal, openstaande schulden en de rechtmatigheid van arrestaties centraal stonden.
1794–1795: Achterklap en de verboden liefde op de Hooigracht
Het huwelijk tussen lakenhandelaar Anthony van Bommel en zijn vrouw Johanna Cornelia van der Kun strandt rond 1794. Ze scheiden feitelijk van tafel en bed. Niet veel later overlijdt Theodorus van Dinter, waardoor zijn weduwe, Maria Theresia Coenen, alleen achterblijft met hun veertienjarige zoon, Theodorus Wilhelmus.
In mei 1795 wijst de weduwe Maria Theresia plotseling uitgerekend de (inmiddels feitelijk gescheiden) Anthony van Bommel aan als de nieuwe voogd van haar zoon. Dit blijkt uit de Voogdbenoeming uit 1795. Dit besluit is het startschot voor een stroom aan heftige buurtroddels op de Leidse Hooigracht.
Buurtgenoten, waaronder Maria van den Born en de lokale kleermaker Gaudentius Diemel, verklaren later bij de notaris dat Anthony dagelijks meerdere malen "heel vrolijk en zingend" naar binnen loopt bij de weduwe aan de Hooigracht. De voordeur staat vaak open zodat hij direct kan doorlopen, vermoedelijk rechtstreeks vanaf zijn buitenplaats. Om pottenkijkers te weren, laat Maria Theresia de muren van haar achtertuin zo hoog optrekken dat de buren niet meer op het erf kunnen kijken. De achterdocht stijgt naar een kookpunt als zij kleermaker Gaudentius Diemel een oude jas van Anthony geeft met de opdracht om daar een nieuwe kinderjas voor haar zoontje van te maken. De buurt raakt overtuigd van een amoureuze verhouding. Al deze geprotocoleerde achterklap is vastgelegd in de Getuigenverklaring Buurtroddels uit 1802.
1795–1796: Het overheidstegoed en de acute geldnood
Ondertussen denderen de politieke ontwikkelingen in het land door. Na de Franse inval en de stichting van de Bataafse Republiek vaardigen de Provisionele Representanten van het Volk van Holland op 14 mei 1795 een besluit uit om noodgeld op te halen. De nieuwe republiek moet namelijk een gigantische afkoopsom van 100 miljoen gulden aan Frankrijk betalen.
Om aan deze zware, gedwongen overheidsheffingen te voldoen, brengt Johanna Cornelia van der Kun een enorm kapitaal in van 6.000 gulden in de vorm van bankbiljetten (gedateerd op 10 augustus 1796), welke worden ondergebracht via de Leenbank in Amsterdam.
De economie stort echter volledig in door de Britse zeeblokkades en de zware Franse belastingen, waardoor de hele Leidse textielindustrie failliet dreigt te gaan. Ook de lakenhandel van Anthony raakt in zware financiële problemen. Op 8 november 1796 stapt Johanna in Leiden naar notaris Jan Pieter van Blenkenburg (pagina 592). Ze geeft haar echtgenoot Anthony een verregaande volmacht. Hij krijgt het recht om de 6.000 gulden (plus opgelopen rente) met spoed terug te vorderen bij de Commissie van Justitie in Den Haag. Tegelijkertijd geeft zij hem toestemming om hun winkelpand 'Het Blauwe Huis' aan de Plaats in Den Haag te verkopen. Dit toont aan dat er binnen het huwelijk al in 1796 sprake was van een acute, dreigende insolventie en een wanhopige drang naar liquide middelen om schuldeisers voor te blijven.
1797–1799: Insolventie, gevangenis en "Strafbare Vrijgevigheid"
De reddingspoging mislukt en de bom barst definitief. Anthony van Bommel raakt insolvent (failliet). De Commissie van Civiele en Criminele Justitie van Leiden stelt bewindvoerders aan om zijn boedel te vereffenen, en Anthony wordt uiteindelijk opgesloten in het verbeterhuis 'de Drie Taarlingen' in Delft. Dit blijkt onder andere uit de latere Scheidingsakte van Tafel en Bed uit 1799.
Terwijl Anthony's echtgenote Johanna in de schuldenberg dreigt te verdrinken, lijkt zijn minnares Maria Theresia Coenen te floreren. In 1797 koopt zij de woning aan de Hooigracht officieel aan, maar ze verblijft ook regelmatig in Parijs, waar ze een zeer succesvolle handelsonderneming opbouwt. De schuldeisers en de Leidse autoriteiten vertrouwen dit niet: zij vermoeden dat haar kapitaal en bezittingen in feite zijn gefinancierd met weggesluisd geld van Anthony (justitie noemt dit "strafbare vrijgevigheid").
Op 22 februari 1798 wordt Maria Theresia in Leiden "volstrekt willekeurig" (naar eigen zeggen) gearresteerd. Samen met haar zoon wordt zij als criminele gevangene overgebracht naar Den Haag, en haar volledige Leidse inboedel en woning worden officieel verzegeld. Maria Theresia pikt dit niet. In maart 1798 publiceert zij een felle, paginalange verdediging in de Rotterdamse Courant. Zij zwerft dat zij haar kapitaal volledig op eigen kracht heeft verdiend en klaagt publiekelijk aan dat Anthony al maanden zonder recht op bezoek of fatsoenlijke verdediging in diverse gevangenissen wordt vastgehouden.
De situatie escaleert in 1799 tot een internationale juridische strijd. Maria Theresia Coenen eist namelijk zélf ook een flinke som geld op uit de faillissementsboedel van Anthony, waardoor zij zich als schuldeiser meldt. Dit maakt de zaak voor Johanna van der Kun hoogst persoonlijk: als de rivale haar zin krijgt, blijft er voor Johanna niets over. Johanna spant via de Leidse bewindvoerders een felle procedure aan. De curatoren huren zelfs twee rechtsgeleerden in Antwerpen in om Maria Theresia daar voor de rechtbank te slepen, omdat men vermoedt dat daar via haar verborgen vermogensbestanddelen van Anthony zijn ondergebracht. Deze machtiging is bewaard in de Notariële Volmacht voor Rechtszaak Antwerpen.
1800: De Juridische Oorlog en de strijd om de Preferentie
In het jaar 1800 bereikt de strijd om het geld een juridisch kookpunt:
- 30 april 1800: Maria Theresia Coenen, die inmiddels weer op vrije voeten is en in Parijs woont, slaat juridisch terug. Ze laat via een notaris een officieel protest aantekenen tegen de langdurige, onrechtmatige verzegeling van haar Leidse woning en spullen. Dit is in te zien via het Protest tegen Verzegeling en Arrestatie.
- 4 augustus 1800: Johanna Cornelia van der Kun stapt nu zelf naar notaris Albertus van Kleynenbergh in Leiden (akte nr. 63 / pagina 677-678). De rollen zijn omgedraaid: haar man is zijn macht kwijt en zij moet haar eigen vermogen beschermen tegen zijn schuldeisers. Zij neemt procureur Van Idema in de arm en start een formele rechtszaak bij de Commissie van Justitie in Leiden tegen "de gezamenlijke crediteuren" van Anthony (bestaande uit de gedupeerde Leidse lakenhandelaren, leveranciers en investeerders) én tegen haar rivale Maria Theresia Coenen, die met haar over deze erfenis dis माझे disputeert.
Johanna eist 'preferentie' (voorrang) bij de afwikkeling van het faillissement. Haar advocaat moet voor de Commissie van Justitie bewijzen dat het ingebrachte overheidsgeld van 6.000 gulden (dat destijds bij de Generale Hollandse Leenbank te Amsterdam was ondergebracht en waarop de schuldeisers nu beslag proberen te leggen) juridisch puur van háár was. Zij eist dat zij als allereerste wordt uitbetaald, nog vóór de andere schuldeisers en haar rivale Coenen ook maar één cent van Anthony's resterende geld te zien krijgen.
Het navrante einde van de hoofdrolspelers
Uiteindelijk worden de sterfplekken en data van de hoofdrolspelers via diverse archieven duidelijk, waarmee het mysterie van hun "verdwijning in het niets" wordt opgelost:
- Anthony van Bommel sterft in diepe armoede en gevangenschap op 9 december 1802 in Antwerpen. Zijn overlijdensakte werd destijds onder de Franse variant van zijn naam geregistreerd (Antoine Corneille Martin van Bommel).
- Johanna Cornelia van der Kun overlijdt op 22 april 1805. Hoewel dit niet in de Leidse DTB-boeken staat, bewijst haar Boedelinventaris via Erfgoed Leiden deze datum. Zij heeft tot haar dood met man en macht gestreden om haar kapitaal te redden van de ondergang van haar ex-man.
- Maria Theresia Coenen overleeft het hele schandaal en de juridische oorlog. Zij keert later vanuit Parijs definitief terug naar haar huis aan de Hooigracht in Leiden (waar ze in 1813 aantoonbaar nog woont) en overlijdt uiteindelijk in 1814 in Den Haag