Beste mensen, ik heb geen directe doopakte van Pieter Kunnen vinden, maar bij het verder speuren m.b.t. transport en boedel scheiding heb ik de volgende conclusie getrokken. Ik wil hierbij iedereen bedanken wie mijn heeft geholpen :
Bewijslast ouderschap Pieter Meijndertsz Kelderman
Onderzoeksvraag
Kan Pieter Meijndertsz Kelderman, geboren vermoedelijk omstreeks 1643 en in 1665 vermeld als jongeman van Rijnsburg, met voldoende zekerheid worden beschouwd als zoon van Meijndert Pietersz Kelderman en Ermpge (Ermpje) Cornelisdr Hoogervorst?
Conclusie
Een doopinschrijving van Pieter is niet aangetroffen en kan waarschijnlijk ook niet meer worden gevonden, omdat de bewaard gebleven gereformeerde doopregisters van Rijnsburg pas in 1675 beginnen. De afstamming kan daarom niet met één rechtstreekse doopakte worden bewezen. De combinatie van de beschikbare bronnen levert echter sterk en onderling samenhangend indirect bewijs op dat Pieter Meijndertsz Kelderman een zoon was van Meijndert Pietersz Kelderman en Ermpge Cornelisdr Hoogervorst.
Bewijs en aanwijzingen
1. Huwelijk van het vermoedelijke ouderpaar – Rijnsburg, 8 december 1641
Op 8 december 1641 trouwt te Rijnsburg Meijndert Pietersz, jongeman van Haarlem, met Ermpje Cornelisdr, jongedochter van Rijnsburg. Beiden wonen te Rijnsburg. Bij deze huwelijksinschrijving wordt Meijndert uitsluitend met zijn patroniem vermeld; de familienaam Kelderman ontbreekt.
2. Pieter voert in 1665 zelf de naam Kelderman en komt uit Rijnsburg
Bij zijn ondertrouw te Leiden op 27 november 1665 en het kerkelijk huwelijk op 13 december 1665 wordt hij vermeld als: “Pieter Meindertsen Kelderman, j.m. van Rijnburg”. Hij trouwt met Maertje Jans van Leeuwen. Daarmee staat vast dat Pieter zelf reeds vóór de geboorte van zijn kinderen de familienaam Kelderman voert en dat zijn herkomst rechtstreeks met Rijnsburg wordt verbonden.
3. Ermpje Cornelis verschijnt herhaaldelijk in het gezin van Pieter
Ermpje Cornelis treedt gedurende ten minste tien jaar herhaaldelijk op als doopgetuige bij kinderen van Pieter Meijndertsz Kelderman en Maertje Jans van Leeuwen: Jorisje (10 april 1672), Meijndert (28 oktober 1674), Empje (27 september 1675), Stijntje (25 september 1678) en Magdalena (1 maart 1682). De originele doopinschrijving van Stijntje uit 1678 vermeldt Ermpje Cornelis als getuige; de aanduiding ‘grootmoeder’ staat niet in de oorspronkelijke inschrijving en is een genealogische interpretatie.
4. Vernoeming van dochter Empje
Op 27 september 1675 wordt een dochter van Pieter en Maertje gedoopt met de naam Empje. Bij juist deze doop treedt Ermpje Cornelis als getuige op. Dit past goed binnen het gebruikelijke vernoemingspatroon waarbij een kind naar een grootmoeder werd genoemd. Op zichzelf is dit geen bewijs, maar in combinatie met de overige gegevens versterkt het de veronderstelde moeder-zoonrelatie.
5. Meijndert Pietersz wordt in latere Rijnsburgse bronnen Kelderman genoemd
Volgens de vastgelegde brongegevens wordt Ermpge Cornelisdr Hoogervorst op 21 augustus 1676 genoemd als weduwe van Meijndert Pietersz Kelderman (Archief gemeente Rijnsburg, inventaris 60, losse akte). Op 4 maart 1682 wordt in het Rijnsburgse transportregister opnieuw verwezen naar de weduwe en/of boedel van Meijndert Pietersz Kelderman in verband met onroerend goed in de Smitsteeg (Rechterlijk Archief Rijnsburg, transportregister nr. 8, 1679–1689, film 885621, DGS 8983648, FamilySearch fiche 56). De volledige formulering van deze akte moet nog definitief woord voor woord worden getranscribeerd.
6. Trijntje/Trijntie Meijnderts Kelderman
In het gezin van Pieter verschijnt tevens Trijntie Meijnderts als doopgetuige bij Magdaleentie op 24 november 1680. Bij de doop van Cornelis op 26 december 1687 wordt een getuige vermeld als Trijntje Meinderts Kelderman. Heemskerk noemt Trijntje als tweede kind van Meijndert en Ermpje en daarmee als zuster van Pieter. Die afstamming is nog niet zelfstandig bewezen en blijft een afzonderlijk onderzoekspunt. Indien dit wordt bevestigd, vormt zij een tweede onafhankelijke familieverbinding tussen Pieter en het ouderpaar Meijndert–Ermpje.
Genealogische beoordeling
De kern van de bewijsvoering bestaat uit de combinatie van: (a) het huwelijk van Meijndert Pietersz en Ermpje Cornelisdr in Rijnsburg in 1641; (b) Pieter Meijndertsz Kelderman die in 1665 als jongeman van Rijnsburg wordt vermeld; (c) het herhaaldelijk optreden van Ermpje Cornelis als getuige bij vijf kinderen van Pieter; (d) de vernoeming Empje; en (e) Rijnsburgse bronnen waarin Meijndert Pietersz met de familienaam Kelderman wordt verbonden. Deze gegevens zijn onderling consistent en maken het ouderschap zeer aannemelijk, hoewel een rechtstreekse doop- of andere akte waarin Pieter expliciet ‘zoon van Meijndert Pietersz Kelderman en Ermpje Cornelisdr Hoogervorst’ wordt genoemd nog ontbreekt.
Nog openstaande controlepunten
1. Volledige transcriptie van de Rijnsburgse transportakte van 4 maart 1682 (register 8, fiche 56).
2. Zelfstandig bewijs voor de afstamming van Trijntje/Trijntie Meijnderts Kelderman.
3. Controle van de originele losse akte van 21 augustus 1676, inventaris 60.
4. Afzonderlijk bewijs of Meijndert Pietersz Kelderman dezelfde persoon is als de op 24 november 1616 te Haarlem gedoopte Meijndert. Die identificatie is met het bovenstaande nog niet bewezen.