Bedankt voor jullie hulp! Ben al druk bezig. Twee documenten geven al een aardig beeld hoe zijn levensloop tussen 1786 en 1799 is geweest. 1) Rijnland. Rechterlijke registers 1785–1804, folio 50-52 Strafzaak tegen Johannes Wilhelmus Diemel 22-07-1786
https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHK-Q3RY-9KXL?view=fullText&keywords=Johannes%2CDiemel&searchForm=simple&lang=nl
2) Rijnland. Rechterlijke registers 1785—1804, folio 329-331 Dagvaardiging Johannes Wilhelmus Diemel 11-05-1799
https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3QHK-Q3RY-9V2Q?view=fullText&keywords=Johannes%2CDiemel&searchForm=simple&lang=nl
Ik wil jullie dit verhaal niet onthouden. Want ik begon te twijfelen of er soms toch geen tweede Willem in het spel was? De 'crimineel' die na zijn detentie niet terug mocht keren naar Holland en de Willem die in 1798 trouwde met Antje Kluijs in Nieuwveen/Zevenhoven. Bleek toch een en dezelfde te zijn. De broer van Gaudentius had er blijkbaar lak aan en verviel weer in zijn oude gewoonten! Hij riskeerde daarmee zelfs de doodstraf. Nu verder op zoek naar wat er na 1799 met hem gebeurde.
Eis van de baljuw voor het Hof en de Hoge Vierschaar van Rijnland. Ingediend bij de gezworen rechters van het Hof en de Hoge Vierschaar van Rijnland door mr. François Gualtherus Blok, baljuw van dit land en in strafzaken optredend als openbaar aanklager,
tegen
Johannes Wilhelmus Diemel, geboren te Niederbergheim, ongeveer 35 jaar oud, laatst gewoond hebbende te Nieuwveen, bij openbare afkondiging persoonlijk gedagvaard en niet verschenen. De aanklager beschuldigt Johannes Wilhelmus Diemel voor het Hof en de Hoge Vierschaar van Rijnland van het volgende.
Bij vonnis van deze Hoge Vierschaar van 29 juli 1786, dat op 5 augustus daaropvolgend is hervat, uitgesproken en ten uitvoer gelegd, was hij veroordeeld om naar het openbare schavot voor ’s-Gravenstein te worden gebracht. Daar moest hij aan een paal worden gebonden en door de scherprechter streng met roeden worden gegeseld. Vervolgens moest hij met het gloeiende ijzer van Rijnland worden gebrandmerkt. Daarna werd hij voor de duur van de eerstvolgende tien jaar opgesloten in een tuchthuis binnen deze provincie, om daar door handenarbeid in zijn levensonderhoud te voorzien. Na afloop daarvan werd hij levenslang verbannen uit Holland en West-Friesland, zonder daar ooit weer binnen te mogen komen, op straffe van een zwaardere straf. Tevens werd hij veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten. Een authentiek afschrift van dit vonnis is door de aanklager overgelegd als stuk A.
Desondanks heeft Diemel, nadat zijn tijd van opsluiting was geëindigd, het gewaagd opnieuw naar Holland terug te keren. In juli van het afgelopen jaar is hij te Nieuwveen een nieuw huwelijk aangegaan en heeft hij zich daar metterwoon gevestigd. Dit blijkt uit een verklaring van de schout en de municipaliteit van Nieuwveen, afgelegd bij het begin van hun respectieve ambtsperioden en overgelegd als stuk B.Daarmee heeft hij, in strijd met het genoemde vonnis van deze Hoge Vierschaar, zijn verbanning overtreden en zich daardoor aan een zwaardere straf blootgesteld.
Verdenking van diefstal Daarnaast wordt Diemel ervan verdacht zich waarschijnlijk tegen het einde van het afgelopen jaar te hebben schuldig gemaakt aan het forceren van een slot van een kist ten huize van een landbouwer onder Leimuiden. Uit een daarin aanwezige lade, waarvan het slot enige tijd daarvoor door de eigenaar aan een smid was meegegeven om te worden gerepareerd, zou een aanzienlijke hoeveelheid geld zijn gestolen. Volgens de transcriptie ging het om een bedrag van tussen [3.700 en 2.000] gulden. De eigenaar ontdekte op 28 december dat het geld verdwenen was. Hij had gedurende geruime tijd niet meer naar het geld en de lade waarin het lag omgekeken. Toen hij op 28 december de lade weer bekeek, trof hij daarin niets meer aan behalve twee zesthalven, die boven op de kleding lagen die zich in de betreffende kist bevond. Dit blijkt uit de beëdigde verklaring die als stuk C is overgelegd.
Diemel had gedurende de periode van Sint-Pieter tot november bij de genoemde landbouwer gewerkt. Het vermoeden bestaat dat hij gebruik heeft gemaakt van de afwezigheid van de landbouwer, diens vrouw en een dienstmeisje om het genoemde geld te ontvreemden. Dit vermoeden wordt volgens de aanklager sterk ondersteund door verschillende omstandigheden die moeilijk verklaarbaar zouden zijn wanneer Diemel niet bij deze diefstal betrokken was.
Plotseling beschikte hij over veel geld Nog kort daarvoor was Diemel verschillende keren namens zijn broer aangemaand en met een gerechtelijke procedure bedreigd wegens het niet betalen van een bedrag van zestig gulden. De stukken hierover zijn overgelegd als stuk D.
Kort daarna kocht hij echter verschillende goederen, die hij contant betaalde met drieguldenstukken en/of zesthalven. Dat waren juist de muntsoorten waarvan de eigenaar uitdrukkelijk had verklaard dat deze bij hem waren verdwenen. Dit blijkt uit een brief die de schout van Nieuwveen hierover aan de aanklager heeft geschreven en die als stuk E is overgelegd.
Het gerucht dat Diemel de diefstal in het huis van de landbouwer zou hebben gepleegd, werd bovendien versterkt doordat hij opvallend veel geld uitgaf. Om dit gerucht tegen te gaan liet Diemel zelfs door de omroeper in het dorp Nieuwveen bekendmaken dat hij een beloning van 25 gulden zou geven aan degene die kon bewijzen dat de betreffende diefstal door hem was gepleegd. Hij had zelfs de vrijmoedigheid zich bij de eigenaar van het gestolen geld te informeren of deze hem als de dader beschouwde. Bij die gelegenheid zei Diemel dat degene die het geld had gestolen het moment moest hebben afgewacht waarop de eigenaar het slot van de lade van de betreffende kist had meegegeven om het te laten repareren.
Volgens de aanklager blijkt hieruit dat Diemel volledig op de hoogte was van deze opmerkelijke omstandigheid.
Diemel vlucht uit Nieuwveen Nadat de schout van Leimuiden, namens de eigenaar van het gestolen geld, aangifte had gedaan — volgens de hierover overgelegde brief, stuk F — en nadat de overige informatie was verkregen, probeerde de aanklager Diemel in Nieuwveen, in aanwezigheid van twee rechters van Rijnland, hierover te ondervragen. Diemel werd daar echter niet meer aangetroffen. Kort daarna vernam de aanklager dat Diemel was gevlucht en zich daarmee aan verder onderzoek had onttrokken. Daarop werd, door en in aanwezigheid van de schout en twee leden van het gerecht van Nieuwveen, een inventaris van zijn goederen opgemaakt.
Volgens deze inventaris, overgelegd als stuk G, werd onder andere een bedrag van 83 gulden aangetroffen. Zijn schoonvader verklaarde dat dit geld weliswaar was gevonden in een bepaalde doos die in een kast in zijn huis stond, maar dat het geld niet aan hem toebehoorde. Deze verklaring is overgelegd als stuk H.
De vrouw van Diemel heeft vervolgens voor deze Vierschaar verklaard dat haar man deze 83 gulden vóór zijn vertrek uit Nieuwveen aan haar vader had gegeven. Onder de goederen werd bovendien nieuw vervaardigd zilverwerk en een groot aantal lotbriefjes aangetroffen. Verder bleek dat Diemel zelf geld aan andere mensen had voorgeschoten en uitgeleend, al dan niet tegen een onderpand. Volgens de aanklager kon iemand die slechts als arbeider werkzaam was en bovendien zo lang in ’s-Gravenstein opgesloten was geweest, dergelijke bezittingen niet op eerlijke wijze hebben verworven. In combinatie met zijn vlucht en het feit dat hij niet verscheen na de verschillende dagvaardingen, versterkte dit volgens de aanklager in hoge mate het vermoeden dat hij de genoemde diefstal had gepleegd.
Dagvaardingen en niet verschijnen Nadat de aanklager zijn voorbereidende onderzoeksstukken had overgelegd en Diemel persoonlijk niet kon worden aangehouden, verleende de Hoge Vierschaar toestemming hem persoonlijk te dagvaarden, met de mogelijkheid dit door middel van een openbare afkondiging te doen. Diemel werd daarop, telkens na voorafgaand klokgelui, viermaal behoorlijk gedagvaard. Ook werden afschriften van de dagvaarding aangeplakt, onder andere bij de Vierschaar en bij de laatste woonplaats van Diemel. Dit blijkt uit de overgelegde stukken I, K, L en M.
Diemel verscheen echter na geen van deze dagvaardingen, ook niet nadat hij in het openbaar was opgeroepen. Daarom verleende de Hoge Vierschaar aan de aanklager de gebruikelijke verstekverlening, met alle rechtsgevolgen daarvan, en werd hij toegelaten zijn eis met de daarbij behorende bewijsstukken in te dienen.
Eis van de aanklager Om deze redenen concludeert de aanklager dat Johannes Wilhelmus Diemel, als gevolg van zijn niet verschijnen en de tegen hem verleende verstekprocedures, het recht heeft verloren om nog excepties, bezwaren, verweren of andere verdedigingen aan te voeren die hij, wanneer hij wel was verschenen, naar voren had kunnen brengen. De aanklager verzoekt de Hoge Vierschaar vervolgens te bepalen dat Johannes Wilhelmus Diemel voor de rest van zijn leven verbannen zal blijven uit Holland en West-Friesland, Zeeland en Utrecht, voor zover het grondgebied van deze gewesten zich uitstrekt.
Wanneer hij zich opnieuw binnen deze gebieden zou begeven, zal hij dit doen op straffe van de dood. Daarnaast dient hij te worden veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten, waarvan de hoogte zo nodig door het gerecht zal worden vastgesteld en gematigd.