Het Zeeuwse leenrecht wijkt inderdaad wel op een aantal punten af. Er zijn bij de grafelijkheid van Zeeland drie mogelijkheden: belening met ambacht, belening met land, belening met tienden.
Voor de heerlijke rechten, aangeduid met de term ambachtsgevolg is belening met ambacht relevant. Het is in zoverre afwijkend dat als iemand die beleend is met ambacht (aangeduid in gemeten en roeden) overlijdt, en hij vier zoons nalaat, dat dan elke zoon een kwart erft. Zeg dat het hele ambacht uit 2000 gemeten bestaat, en iemand heeft de helft, en twee anderen een kwart, dan heeft de ene ambachtsheer 1000 gemeten, de twee anderen elk 500. Sterft een van de ambachtsheren die beleend is met 500 gemeten, en hij laat twee zoons na, dan zijn er van dat moment af niet meer drie, maar vier heren, een met 1000, een met 500, twee met 250. Bij iedere vererving wordt een part kleiner. Bij mijn onderzoek ben ik wel heren (of als dat zo uitkomt vrouwen) tegengekomen met 61 1/2 roeden ambacht. Onder de ambachtsgevolgen vallen vaak de maalrij (molenrecht), visserij, vogelrij, maar soms ook andere rechten, zoals het veerrecht, of het collatierecht, dus het recht om de lokale priester te benoemen. En vaak ook het recht om lokale functionarissen te benoemen (bijvoorbeeld schout, schepenen, secretaris, dijkgraaf, gezworenen, later zelfs wel leden van de gemeenteraad). De molen werd verpacht, het recht op vissen of vogels te vangen ook, functionarissen betaalden ook wat. Zo kreeg een ambachtsheer inkomen. Aanvankelijk was het een mannenzaak, immers een deel van het leenrecht was ook bedoeld om een legertje samen te kunnen stellen. Op den duur wordt het meer en meer een vorm van eigendomsrecht, en kunnen vrouwen ook volgen. Er is dan nog het verschil tussen een gewoon Zeeuws leen (als de heer zonder wettig mannelijk nageslacht overleed verviel het leen aan de grafelijkheid) en een onversterflijk leen; dat laatste kon gewoon binnen de familie vererven, op een dochter, een oom, een neef. Als een gewoon leen vervallen was aan de grafelijkheid, dan kon het door de familie gelost worden, dan betaalde een familielid een overeengekomen bedrag aan de rentmeester en werd er vervolgens mee beleend. Of de grafelijkheid kon het opnieuw uitgeven aan een ander, of besluiten het zelf te houden, dan ontving de rentmeester de inkomsten namens de graaf van Zeeland, en die inkomsten kwamen vervolgens in de grote pot terecht (de "staatskas").
De eerder genoemde ambachtsgevolgen werden qua opbrengst gedeeld door de ambachtsheren gezamenlijk, naar rato van hun aandeel. Het bracht niet altijd wat op, in de zogenaamde Valor Feudorum in de jaren zeventig van de vijftiende eeuw, staat bij sommige molens dat door reparaties dit onderdeel meer gekost had dan opgebracht.
In Zeeland ben je dan geen heer "van", maar bezit je porties ambacht, formeel ben je dan heer "in". Er zijn overigens ook voorbeelden van heerlijkheden buiten Zeeland die uitgegeven werden onder het Zeeuwse leenrecht. Op Flakkee vind je een paar van die heerlijkheden, bijvoorbeeld Grijsoord, dat gedurende de hele geschiedenis meer dan een ambachtsheer had, nu nog steeds. Hoewel de heerlijke rechten in 1795 zijn afgeschaft, bleef de heerlijkheid als lege huls bestaan, en een deel van de rechten kwam weer terug na 1815, al werd ook dat door nieuwe wetgeving steeds minder. Voor Grijsoord is volgens mij alleen het visrecht nog over (binnenwateren en op de buitendijkse gronden), en heeft men formeel het recht van aanwas. Dus als de zee per jaar 10 centimeter toevoegt aan het buitendijks land, dan heeft men in tien jaar 1 meter meer. Alleen kun je daar tegenwoordig niks meer mee, buiten misschien het visrecht op de buitendijkse gronden. De titel (de eerder genoemde lege huls) wordt soms nog wel gebruikt. Toen de heer Vriesendorp het slot Moermond in Renesse kocht van de familie Van der Lek de Clercq, kocht hij ook de heerlijkheid Renesse erbij en ging zich vervolgens ook wel Vriesendorp van Renesse noemen. Maar voor de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft dat geen betekenis...