In de onderstaande akte krijgen een bootsman en en kok een uitkering van de reders van het schip Prins Fredrick, dat blijkbaar is verongelukt in Helgoland (Heiliglandt) tegenwoordig in Sleeswijk-Holstein, Duistland, toendertijd in Denemarken).
Krijgen de twee mannen nu 42 gulden èn 54 marken, zes schellingen Lubeks, of is de 42 gulden het equivalent van 54 marken, zes schellingen die zij claimen als schade geleden te hebben?
En wat wordt er met het woorden geadfudiceert en soveren bedoeld? Of lees ik ze verkeerd?
SAA: Toegang 5075; Inv. Nr. 6177; Archief van de Notarissen ter Standplaats Amsterdam; Notaris Pieter Schabaelje; Afschriften sept 1695-aug 1696; #213; Fo. 121-121v; Scan 119-120/280; 20-01-1696 Verklaring van uitbetaling bemanning van het schip Prins Fredrick
https://archief.amsterdam/inventarissen/scans/5075/241.5.3/start/110/limit/10/highlight/9
Scan 119:
hebben, ider van hem comp[aran]ten een somma van tweeënveertigh
guldens en dat in voldoeninge van vierenvijftigh marken en ses
schell[ingen] Lub[ek]s, aen ider van haer tot Hamburgh geadfudiceert
voor haere portie in het geburgen gereetschap van het voors[chreven] schip,
bekennende zij comp[aran]ten daermeeden ten vollen weegens haer
pretentie over soveren op het gemelte schip verdient, voldaen
Michaël