Hoi Bea en allemaal,
Er is een boek verschenen over de bewoners van de kolonies in de Maatschappij van Weldadigheid in Drenthe begin 1800. (Veenhuizen en Norg oa.) Ik denk dat je dat bedoelt.
Van elders:
Na het boek van Will Schakmann "De proefkolonie" (dat hier al eerder ter
sprake is geweest) is er weer een interessant boek over Veenhuizen
verschenen "Het pauperparadijs" van Suzanna Jansen.
(zie:http://www.suzannajansen.nl/index.php?id=30)
Naar aanleiding van het verschijnen van dit boek heeft Carel Harmsen,
demograaf bij het CBS geraamd, dat meer dan een miljoen Nederlanders
voorouders hebben, die in de kolonies en gestichten van de Maatschappij
van Weldadigheid in de 19e eeuw geplaatst zijn gweest.
Altijd een dubbeltje gebleven
Bij toeval stuitte de journaliste Suzanna Jansen op een klassiek
verschijnsel onder haar voorouders, namelijk dat een dubbeltje nooit een
kwartje wordt. Nijver speurwerk resulteerde in een mooi boek.
Op een middag stuitte Suzanna Jansen, bij het opruimen van de zolder van
haar ouders, op een bidprentje. De dode ziel voor wie moest worden gebeden,
was de 'opoe' van haar moeder, Helena Gijben, Suzanna's overgrootmoeder.
Deze Helena, vertelde haar moeder, was een groot ongeluk overkomen: zelf
protestant, was ze verliefd geworden op een katholiek. Ze nam het geloof aan
van haar man, Harmen Keijzer, en werd door haar familie verstoten en
'onterfd'.
Dat laatste woord sprak tot de verbeelding van de journaliste Suzanna
Jansen. Ook de geboorteplaats van Helena klonk mysterieus: Norg, bij Assen.
Ze wist dat de familie van moederskant altijd arm was geweest. Het gevoel
een 'dubbeltje' te zijn en geen kwartje, ondanks een goede opleiding en
afwezigheid van geldzorgen, zat er ook bij haar, vrouw van begin veertig in
de 21ste eeuw, diep in. Het was overgedragen van generatie op generatie.
Suzanna wilde meer weten over haar voorvaderen.
Tot haar grote verrassing ontdekt ze dat 'opoe' Helena was geboren in de
bedelaarskolonie Veenhuizen, gemeente Norg. Tegenwoordig is het een museum.
En er staat nog steeds, dreigend, een 'penitentiaire inrichting'. Er viel
voor Helena Gijben niets te erven. Ze was geboren in een opvoedkundig
gesticht waar landlopers en ontspoorden kost en inwoning kregen in ruil voor
werk op het land. Ook Helena's moeder, Cato Braxhoofden, was geboren in de
kolonie. Roza, Suzanna's grootmoeder, zag er eveneens het licht. Het was
Helena gelukt om, met Roza en vijf andere kinderen, weg te trekken uit het
gedoemde oord, naar Amsterdam, om daar als dienstbode de kost te verdienen.
Haar man Harmen, die aan de drank raakte, eindigde als recidivist in het
onontkoombare Veenhuizen.
Jansen vertelt ook de geschiedenis van Veenhuizen zelf, dat ooit met
bevoogdende, maar idealistische bedoelingen werd gesticht door Johannes van
den Bosch. Deze energieke figuur, die ervan overtuigd was dat men menselijke
omstandigheden naar zijn hand kon zetten, bracht het tot gouverneur-generaal
van Nederlands-Indië. Inlanders en slaven konden nuttig werk verrichten,
wist hij uit ervaring, als je het maar goed organiseerde. Zo kon ook het
armoedeprobleem, dat in Nederland aan het begin van de 19de eeuw nijpend was
omdat het land was ontwricht door de napoleontische oorlogen, worden
aangepakt. Stevig lichamelijk werk in de frisse buitenlucht, een vaste
dagindeling en de afwezigheid van verleidingen als kroegen en bordelen, dat
zou de stadse paupers goed doen - de vergelijking met de huidige 'prepcamps'
voor ontspoorde jongeren dringt zich op.
Aanvankelijk leek het nog niet zo bar in de kolonie, die niet voor
misdadigers was bestemd. De 'fatsoenlijke maar arme' gezinnen leefden apart
van de landlopers en leeglopers; zij hadden een eigen kamer en een lapje
grond. Tobias Braxhoofden, Helena's grootvader, kwam niet als pauper naar de
kolonie. Hij was een eervol ontslagen soldaat uit Napoleons leger, en werd
bewaker in Veenhuizen.
Maar de arme stedelingen kwamen niet vrijwillig naar de kolonie. De mare
ging dat je er hard moest werken voor je bordje gortpap, en dat je er nooit
meer vandaan kwam. Gaandeweg werden er ook mensen onvrijwillig naar
Veenhuizen gedeporteerd, en op den duur overtreders van allerlei slag. Toen
Harmen Keijzer er aan het begin van de 20ste eeuw terugkwam, was hij geen
fatsoenlijke arme meer, een 'verpleegde', maar een drankzuchtige sloeber die
buiten de maatschappij moest worden gehouden.
De noodlottige daling binnen de hiërarchie van de Veenhuizers was al ingezet
toen Cato Braxhoofden, dochter van bewaker Tobias, trouwde met Teunis
Gijben, zoon van een 'gewone', niet geprivilegieerde, inderdaad katholieke
familie. Het jonge stel trok weg uit de kolonie en werd landarbeider, maar
redde het niet; ze keerden terug, kregen kinderen, en behoorden voor altijd
tot de paupers.
Het was Roza, Suzanna's grootmoeder, die terugklom op de maatschappelijke
ladder. Ook háár man was drankzuchtig, maar zíj slaagde erin om haar
kinderen 'fatsoenlijk' groot te brengen. Roza woonde met haar gezin ook al
in een wijk die bedoeld was om arbeiders op te voeden tot nette burgers, in
Tuindorp Oostzaan in Amsterdam-Noord, en later in het slechter bekend
staande Floradorp. Maar de drang om naar de overkant van het IJ te verhuizen
is groot, en het lukt haar. Twee van de meisjes mogen naar de mulo, en
vinden een kantoorbaan. Zelfs Suzanna, in 1964 geboren en opgegroeid in een
doodgewoon gezin, voelde lang voordat zij haar achtergrond kende, dat zij
geacht werd een dubbeltje te blijven. In de laatste klas van de lagere
school luidde de uitslag van haar Cito-toets: vwo. Maar de leerkracht vond
haar 'een mavo-klantje'. Haar ouders drukten door dat ze toch naar een
havo-vwo-brugklas ging. Daarmee werd een traditie van vernedering definitief
doorbroken.
Het pauperparadijs, waarvan de fraaie omslagfoto vreemd genoeg een beeld
geeft van het oude Engeland, vertelt twee verhalen. Ten eerste het
schrijnende verhaal dat oplicht uit verhalen van 'kolonisten' en de
documenten, brieven, geboorte-, overlijdens- en huwelijksakten, resultaat
van bewonderenswaardig speurwerk in archieven en op de plaatsen waar de
hoofdpersonen leefden. Even lijkt het alsof Jansen haar verhaal zal
vertellen als een roman, het geromantiseerde levensverhaal van haar
voorvaderen, kleurrijke personages. Het boek begint met een fraaie
dramatische scène: een gezinshoofd komt na lange tijd thuis en wil vrouw en
kinderen omhelzen. Maar de moeder beschermt haar kroost tegen deze indringer
en maant hem te vertrekken. Je zit er als lezer meteen middenin.
In de rest van het boek laat Jansen deze manier van vertellen, 'vanuit' de
hoofdpersonen, weer los. Dat is jammer, maar begrijpelijk. Want al snel
wordt het verdrietige maar door het patina van het verleden omfloerste
verhaal doorkruist door een tweede verhaal: dat van het onderzoek zelf.
Jansen vertelt minutieus hoe ze te werk is gegaan. We zitten met haar in de
bus in Drenthe, we luisteren mee bij interviews en wandelen met haar door de
Jordaan, waar haar grootmoeder opgroeide in een souterrain. En we worden
deelgenoot gemaakt van haar schrik en mededogen bij de onthutsende feiten
die zich opstapelen.
De laatste volwassene in de familieketen is het medium geworden van de
vorige vijf generaties die een leven leefden van armoede en schaamte. In
haar, de schrijfster, trilt die droevige geschiedenis nog één keer na. De
persoonlijke inzet en betrokkenheid waarmee Jansen haar gevonden
familieverhaal vertelt, maakt grote indruk.Aleid Truijens
Een leven van schaamte en armoede in gevangenisdorp Veenhuizen, Het
pauperparadijs.
280 Pagina's. Prijs: Eur. 17,95. ISBN 978 90 5018 821 0.
Bron: Volkskrant 25-1-2008
groet margreet