Beste Louise,
Ik denk dat je inderdaad gelijk hebt. Derk Hendrikse was de voorloper van Johannes Derksen als pachter van het Lexkesveer.
Op zoek naar meer gegevens over de veerman Johannes Derksen en zijn familie heb ik gekeken naar stukken over Lexkesveer. In 1744 is het veer aangekocht door de steden Nijmegen en Wageningen. Wageningen voerde het feitelijk beheer, maar raadpleegde voor belangrijke beslissingen steeds Nijmegen. Stukken over het beheer van Lexkesveer zitten daarom maar mondjesmaat in het oud-archief van Nijmegen, maar in veel groteren getale in het oud-archief van Wageningen. Dus moest ik weer naar Wageningen en heb er dankbaar gebruik gemaakt van de plezierige hulpvaardigheid bij het ophalen van stukken van archivaris Bob Kernkamp en zijn collega?s.
Het veer werd verpacht in een publieke veiling met brandende kaars, in het veerhuis. Op 4-4-1744 werd het veer voor 6 jaar, met mogelijkheid tot opzeggen na 3 jaar, tegen bepaalde voorwaarden verpacht aan Peter Laurussen voor 753 gulden jaarlijks. In de pacht was inbegrepen het oude veerhuis op de bandijk en het grote veerhuis dicht bij de Rijn met bouwhuis (woning), schuur, stallingen, hof en visserij. Op 9 maart 1750 werd het veer weer publiek verpacht aan Derck Hendrickse, die als borgen stelde Arie Hendrikse en Lybert Hendrikse. Al op 9 oktober 1752 werd met veer opnieuw verpacht aan Derck, die dezelfde borgen stelde, de pacht zou ingaan op 1 mei 1753, zou voor 6 jaar zijn en bedroeg 847 gulden. Op 24 augustus 1758 werd het veer opnieuw voor 6 jaar verpacht, de pacht zou 1 mei 1759 ingaan, aan Johannes Derksen. Hij stelde als borgen Arien Hendriksen en Arie van Doorn. De pacht bedroeg 590 gulden. Merkwaardig is dat de stadsrekeningen van Wageningen in de jaren 1759/60, 1760/61 en 1761/62 zeggen dat het veer in 1758 was verpacht aan Derk Hendrikse, en pas in 1762/63 aangeeft dat het veer in 1758 aan Johannes Derksen was verpacht. Tot dat jaar (in Wageningen steeds van 1 mei op 1 mei) zal Derk dus nog wel bij het veer betrokken zijn geweest. In 1760 zijn er plannen gemaakt voor het afbreken en weer opbouwen van het veerhuis, toen zal het oude veerhuis zijn verdwenen. In april-mei 1762 had men te kampen met militairen die hun intrek namen in het veerhuis, ofschoon de veerman het in opdracht van de stad Wageningen verboden had. Toen een tweede groep niet wilde vertrekken procedeerde de stad, ook voor de veerman, na betoogd te hebben dat Lakemond onder de jurisdictie van de stad viel, omdat ?een burger off ingeseten van remonstranten (Wageningen) in sijn eygen huis ? in zijn rust, vrijheid en veijligheid gestoort en belemmert is ? hetwelck seer onaangenaeme en dangereuse gevolgen soude konnen gehad hebben? ?.
Op 4 september 1764 werd het veerhuis opnieuw voor 6 jaar gerekend vanaf 1 mei 1765 publiek verpacht, aan Johannes Derksen voor 696 gulden. Zijn borgen waren Arien Hendrikse en Willem Tap. In augustus 1770 zou een nieuwe verpachting moeten plaatsvinden voor de periode vanaf 1 mei 1771, maar Johannes verzocht het lopende contract voor 3 jaar door te laten lopen in afwachting van een toegezegde verbetering van de toegangswegen. Op gezag van Nijmegen werd het maar voor 1 jaar verlengd, maar daarna nog eens voor een jaar. Op 27 augustus 1772 werd het veer weer publiek verpacht, nu voor 3 jaar vanaf mei 1773, aan Johannes Derksen voor 882 gulden. Borgen waren Arien Hendrikse te Zetten en A.I. van Doorn te Andelst. Op 9 september 1775 werd het veer weer publiek verpacht aan Johannes voor 1020 gulden. Dit was weer voor 6 jaar. Borgen waren Arie van Doorn, Willem Tap en Hendrik Derksen. In mei 1776 richtte Johannes echter een verzoek aan het stadsbestuur van Wageningen. Hij had met een alweer hogere pacht ingestemd in de verwachting dat de zand- en straatweg van de Waaldijk naar de Rijndijk goed in orde zou komen, maar hij was zeer teleurgesteld doordat de dammen aan beide kanten van de Rijn onderliepen als het water hoger dan 14 voet kwam. Hij had van kerstmis 1775 tot 20 maart 1776 zo geen rijtuig over kunnen zetten, aanvankelijk door het ijs maar de langste tijd door het hoge water, dat de dammen deed onderlopen. Dat was nu juist de tijd dat het Lexkesveer het meest profijt van de zandweg kon trekken, want als de klei hard en droog was staken de meeste rijtuigen over in Opheusden. Via het kleine voetveer tegenover Wageningen had men wél op 3 of 4 dagen na droogvoets kunnen oversteken. Johannes vroeg ter vergoeding voor de schade korting op de pachtsom en ter voorkoming van meer schade ophoging van de dammen.
De stad Wageningen reageerde nogal weifelachtig, maar Nijmegen dat was ingelicht drong aan op maatregelen, te beginnen met een ?oculaire inspectie?. Die vond plaats op 29 juni, vier heren uit Wageningen en vijf uit Nijmegen, waaronder de twee stadssecretarissen, verteerden toen met twee maaltijden in het veerhuis op kosten van Johannes (hij mocht het declareren) ruim 30 gulden, onder meer voor 10 flessen wijn bij de eerste maaltijd en 5 bij de tweede. Over een vergoeding voor de schade van Johannes horen we niet meer (misschien in de stadsrekening van dat jaar, die heb ik niet meer bekeken), maar er is wel begonnen met de ophoging van de dam aan de Veluwse kant. Overigens nadat Wageningen nogal wat bezwaren had opgevoerd en Nijmegen erop had aangedrongen dat er toch echt iets moest gebeuren. Die werken ter verbetering gingen in openbare aanbesteding ?aan de minst eisende?, en zelfs die uitvoerders klaagden over gebrekkige betaling. In 1780 is de Betuwse kant aangepakt. Bij alle verbeteringen begonnen omwonende edelen te klagen, vooral de familie Pabst van Bingerden had er een NIMBY-handje van, en sinds 1781 klaagde de prins van Oranje, Willem V, als zijnde graaf van Culemborg over de bedreiging die de verhoogde dammen voor het land van Culemborg zouden kunnen betekenen.
Zoals bekend is Johannes in oktober 1781 overleden en op 15 augustus 1782 werd besloten om de pacht ingaande mei 1783 voor een jaar te continueren ten behoeve van zijn weduwe voor 1100 gulden, 29 meer dan voorheen, op voorwaarde dat ze zich stipt zou houden aan de uitbreiding van de ordonnantie over het heffen van veergeld. Blijkbaar is het jaar voordien de pacht al met een jaar verlengd, daarvan ontbreekt het stuk. Op 17 oktober 1783 zou er een veiling plaatsvinden voor de nieuwe verpachting voor 6 jaar. Daarvan is ook een aankondiging in de Amsterdamsche Courant van 23 september 1783 opgenomen. Maar stadssecretaris Constantijn Cras schreef op 1 oktober aan zijn Nijmeegse collega Vermeer dat de verpachting, die normaal in het veerhuis plaatsvond, ervan zou kunnen lijden dat in het veerhuis de ?loop-ziekte? heerste. Vermeer antwoordde dat de heren van de raad afwezig waren en hij daarom normalerwijze uitstel van antwoord zou vragen tot de volgende postdag, maar gezien de vereiste spoed maakte hij zelf een afweging vanuit de veronderstelling dat men niet in een huis ?daar werkelijk die ziekte zoo sterk is en alles verder ongereegeld moet wezen? kon samenkomen. Men kon samenkomen op een andere plaats, misschien de nieuwe schuur (daar was in juli 1783 toe besloten, Wageningen vroeg om de schuur te renoveren maar Nijmegen stelde meteen maar een nieuwe voor) op de veerdam, gescheiden liggend van het huis, maar zouden de gegadigden toch niet worden afgeschrikt om ?geexponeert? te worden? Te overwegen was ook uitstel, maar wie wist hoe lang de ziekte zou ?grasseren? en wat de gevolgen zouden zijn? ?Zeker is dat het een nadelige moedeloosheid onder de mensen bij voortgang zal vermeerderen?. Of voortzetting van het bestaande contract? ?En daardoor (andere inconvenienten gesweegen) zoude het tans bedrukte huisgezin van den tegenwoordigen pagter misschien moogen worden gesubleveerd; middelerwijs dat de zaaken van ?t Lexkes-veer gebragt wierden op eenen zekerder voet, hetgeen, in ?t vervolg, bij eene publicq verpagting voor jaaren niet zoude schaaden?. Dit leek hem het beste, en hij vroeg wat Wageningen daarvan vond. De magistraat van Wageningen vond dat ook het beste, mits de pachteres bereid was 25 gulden meer pacht te betalen. Men zou zorgen voor een aangepaste advertentie in de courant. In de Amsterdamsche Courant van 14 oktober staat dan ook de aankondiging dat de publieke verpachting ?om redenen? geen doorgang zou vinden en een latere tijd bekend gemaakt zou worden. Op 8 oktober had Vermeer inmiddels aan de Nijmeegse heren zijn voorstel voorgelegd en zij vonden het goed, al hadden ze bezwaren tegen het ongeregeld vorderen door de pachterse van het veergeld. De Wageningse secretaris moest dan wel haar en degenen die het veer bedienden vermanen zich strikt aan het reglement te houden, Daarvan zou tevens een exemplaar aan de nieuwe schuur moeten worden bevestigd, zodat iedere passant duidelijk was waaraan men zich te houden had {NB en dat terwijl de pachteres op sterven lag}.
Op 14 oktober bericht secretaris Cras aan zijn collega Vermeer, in zijn priegelhandschrift, dat de heren hem hadden opgedragen aan de oudste zoon van de pachterse de propositie te doen van voor een jaar verlengde pacht voor 25 gulden meer, ?maar deze bevroedende de swarigheit wanneer zijn moeder die aan de loop-ziekte laboreerde kwame te overlijden; dat hij wel niet twijfelde indien zijn moeder en broeder weer herstelden de proposie met genoegen zouden aanvaarden?, maar indien niet dat het dan onmogelijk zou zijn voor hen als erfgenamen het Lexkesveer langer te behouden dan tot april 1784. ?Zoo als zyne vrees was, zoo is dan ook de saak uitgevallen, zijn moeder is overleeden en zijn broeder loopt zeer gevaarlyk, gevolgelyk heeft Dirk van den Hessenbergh als oudste soon sig laten(? moeilijk leesbaar) verstaan niet langer dan tot mey aanstaande ?t Lexkes vheer te kunnen behouden & bestieren?. Op 15 oktober antwoordde Vermeer dat hij de brief ?s avonds ontvangen had. ?De reeden welke daartoe hebben geöcopereerd doen mij zeer aan, terwijl ik de nog overgebleevenen van het ongelukkig huisgezin aan ?t Lexkes-vheer allezints beklaage?. {eindelijk eens wat medeleven}. De heren van de raad vonden het het beste dan maar over 6 weken te verpachten aan het veerhuis, in de hoop dat de besmetting dan zou ?cesseren?, en anders in de nieuwe schuur of elders. Verder schreef hij aan Cras, die hij persoonlijk was gaan waarderen sinds die hem in 1781 had gecondoleerd (met het verlies van zijn vrouw?), dat hij met leedwezen kennis had genomen van zijn aanhoudende ongesteldheid en aangedaan was door de noodzakelijkheid van zijn reis naar Amsterdam. ?De Hemel sterke U, mijn lieve vriend, in dit alles ?? Zoals vermeld overleed Cras in februari van het volgende jaar, en zou Dirk van den Hessenberg als reactie meteen een verbetering van zijn baan van het stadsbestuur verlangen.
Het veer werd op 28 november in het veerhuis van de erfgenamen van Johannes Derksen verpacht voor de 6 jaar vanaf 1 mei 1784. Een aankondiging staat in de Amsterdamsche Courant van 4 november. Willem Hendrikse deed een bod, maar de pacht werd binnengehaald door Albertus Horstink, tot dan veerman op het Westervoortse veer. Hij zou liefst 1621 gulden pacht betalen. Zijn borgen waren Willem Hendrikse te Arnhem en Geurt Petersen op de Praast. Op 1 mei 1784 werd een nette copie van de verpachting geschreven, met een lijstje met tarieven. Een landmeter maakte dat jaar een overzicht van de stand van zaken, met een kaartje van de situatie.
Zoals eerder min of meer vermeld stierven in oktober 1783 achtereenvolgens een dochter (Johanna Maria, ik had abusievelijk 1787 gemeld in mijn mail van 15 september), de veervrouw en een zoon van het veer. Gezien de rol die Dirks broer afgaande op de brief van 14 oktober blijkbaar speelde bij de exploitatie van het veer, denk ik nu dat die ?soon van het veer? toch de in 1760 geboren Willem moet zijn, waarvan ik eerder gedacht had dat hij wel zo oud was dat hij bij naam genoemd zou worden in het overlijdenregister, en niet de in 1777 geboren Johannes. Die moet dan het ?kindt van Joh. Derksen? zijn dat overleed in 1778.