Beste Tammo ter Hark,
Je snijdt een interessant onderwerp aan dat mij als liefhebber van Indische familiegeschiedenis al langer bezig houdt. Ik ben nog maar kort lid van dit forum, vandaar dat ik pas nu reageer op je vraag van 1 augustus 2011.
Allereerst kan ik je aanbevelen kennis te nemen van enkele publicaties over de Javaanse adel.
- L.W.C. van den Berg, De inlandse rangen en titels op Java en Madoera (’s‑Gravenhage 1902).
- H. de Graaf, ‘Sadjarah Pangiwa Lan Panengen (De stamboom ter linker- en ter rechterzijde 1733-1743)’, Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 126 (1970, nr. 3) 332-337.
- Heather Sutherland, ‘Notes on Java’s Regent Families Part I’, Indonesia (1973, nr. 16) 113-147.
- Idem, ‘Notes on Java’s Regent Families Part II’, Indonesia (1974, nr. 17) 1-42.
- Idem, ‘The Priyayi’, Indonesia (1975, nr. 19) 57-77.
Zoals bekend, bestond er in Nederlandsch-Indië onderscheid tussen Europeanen en ‘inlanders’. Eerst genoemden zagen zichzelf als superieur aan de inheemse bevolking, inclusief haar hoofden. De (mohammedaanse) Javaanse vorsten en regenten achtten zich daarentegen – trots als zij waren – verheven boven de massa der (christelijke) Europeanen, hoewel zij formeel aan het Nederlandse gezag onderworpen waren. Hierin ligt ongetwijfeld een verklaring voor het feit dat het aantal gemengde huwelijken tussen vorsten- en regentendochters enerzijds en Europese mannen anderzijds niet groot is geweest. Daarbij komt dat het ongehuwd samenleven van dergelijke mannen en vrouwen bij mijn weten niet voor is gekomen. De soms gehoorde bewering dat Javaanse vorsten en regenten hun dochters beschikbaar stelden om de concubine van een Europese man te worden, lijkt mij dan ook twijfelachtig, zeker als het om een laaggeplaatste Europeaan gaat. Een inheemse vrouw die het huishouden van een ongetrouwde Europese man bestierde en zijn kinderen baarde, wat in Indië veel voor kwam, groeide dus op in de desa in plaats van de kraton.
Ik wil met het bovenstaande maar zeggen dat je voorzichtig moet zijn met het zonder betrouwbaar bewijs voor waar aannemen van verhalen over een ‘inlandse prinses’ in de familie. Hierbij moet je bedenken dat in menig Indische familie uit – in mijn ogen onterechte, maar in de Nederlandsch-Indische context wel begrijpelijke – schaamte werd gezwegen over de Javaanse voormoeder. Zie hiervoor: Reggie Baay, De njai. Het concubinaat in Nederlands-Indië (Amsterdam 2008) en van dezelfde, Portret van een oermoeder. Beelden van de njai in Nederlands-Indië (Amsterdam 2010). Om de ‘pijn’ te verzachten of het eigen ego te strelen, maakte men van haar niet zelden een ‘inlandse prinses’.
Ik zeg niet dat dit alles in de casus Hardeman het geval is geweest, maar het is wel belangrijk te weten wat er in de geboorteakte (die tevens de akte van erkenning zal zijn geweest) van mevrouw Van Hasselt-Hardeman staat. Wordt haar moeder daarin vermeld als ‘de inlandse vrouw Asmani’ of ‘als de inlandse vrouw Raden Adjeng Asmani’? Mevrouw Van Hasselt werd blijkens de stamboom Hardeman op internet te Watatoelis [bij Prambon, residentie Soerabaja, RdN] op 9 okt. 1881 geboren. Zij werd blijkens de Naamlijst der Europeesche inwoners van het mannelijk geslacht in Nederlandsch-Indië en opgave omtrent hun burgerlijken stand 1884 (Batavia 1883) erkend te Malang, residentie Pasoeroean [in 1883, het jaar waarin haar vader een Europees huwelijk sloot, RdN]. Haar vader was ten tijde van haar geboorte werkzaam als controleur 1e klasse (sinds 25 augustus 1881) bij het binnenlands bestuur in de residentie Soerabaja. Gezien deze betrekkelijk bescheiden rang lijkt het mij niet zo waarschijnlijk dat hij dochter van een regent tot concubine heeft kunnen nemen. Regenten waren immers formeel in gouvernementsdienst en stonden hoger in rang dan een controleur. Hardeman werd op 27 augustus 1886 benoemd tot assistent-resident van de afdeling Karanganjer van de residentie Bagelen. Hij zette daarmee een belangrijke stap op de maatschappelijke ladder, maar was toen reeds meer dan drie jaar met een Europese vrouw getrouwd.
Hieronder volgt een overzicht van in de negentiende en twintigste eeuw gesloten gemengde huwelijken van Europeanen en ‘inlandse prinsessen’ (aanvullingen en/of verbeteringen zijn welkom).
* Johannes Augustinus Dezentje met de Solose prinses Radèn Ajoe Tjondro Koesomo te Soerakarta op 13 september 1835.
* Willem George Wolff met de Bandjermassinse Ratoe Inten te Semarang op 24 juni 1861.
* Herman Willem Abels met Radèn Adjeng Wiedji/Widji te Malang op 28 nov. 1873.
* Jhr. Petrus Franciscus Coenen met Radèn Ajoe Rateni te Djokjakarta op 15 april 1875.
* Hendrik Willem Coenraad Bart Brandligt met Radèn Adjeng Soedima te Klaten (Soerakarta) op 28 februari 1881.
* Christiaan Willem Boombergen met Johanna Radminten Mas Adjeng Poerdiredjo te Grisee (Soerabaja) op 29 dec. 1881 (gesch. Blitar (Kediri) 9 juli 1894). De titel Mas Adjeng werd over het algemeen gevoerd door de dochters van inlandse hoofden, lager dan regent. Op Oost-Java was dit de titel voor elke ongehuwde dochter van een Radèn.
* Johan Willem Brunner met de Javaanse vrouw Ratiah, ook genaamd Mas Adjeng Misah te Temanggoeng (Kedoe) op 18 sept. 1886.
* Mr. Jan Jacob Smits met Mas Adjeng Wikinah te Padang op 14 jan. 1891.
* Gerard de Veer met Radèn Adjeng Poensiah te Tjilatjap (Banjoemas) op 21 mei 1892.
* Eduard Bartholomeus Rudolf Tellings met Sri Mas Adjeng te Benkoelen op 13 december 1893.
* Isaac Groneman, lijfarts van de sultan van Djokjakarta, met Radèn Ajoe Retno Kasijan te Djokjakarta op 28 oktober 1904.
* Pieter Marinus Gallas met een Radèn Adjeng, bekend als Augustiene (ook Radèn Adjeng Augustin Setjodiredjo) te Lamongan op 8 februari 1907.
* Jacobus Adrianus Moorrees met Radèn Adjeng Adiwatie te Soerabaja op 13 juni 1913.
* Philip Hugo Halsamer met Radèn Ajoe Moetmainah mogelijk te Loemadjang en vermoedelijk voor of in 1929 (uit dit huwelijk werd te Loemadjang op 31 augustus 1929 een dochter geboren).
* Adriaan Bertho van der Linde met Radèn Ajoe Parijem te Madioen op 20 september 1939.
* Herman Zwiers met Radèn Adjeng Soetrati Ratna Komata Gondo Sepoetra te Batavia in 1948.
* Een Europeaan met een dochter van de regent van Karanganjar (namen van de bruid en bruidegom, alsmede de plaats en datum van het huwelijk zijn onbekend).
* Een Europeaan met een dochter van de regent van Demak (namen van de bruid en bruidegom, alsmede de plaats en datum van het huwelijk zijn onbekend).
Tenslotte een overzicht van enkele gemengde huwelijken of buitenechtelijke relaties, die volgens familie-overlevering zouden hebben bestaan, maar waarover men m.h.o.o. de kwaliteit van de bewijsvoering kan twijfelen (aanvullingen en/of verbeteringen zijn welkom).
* Joseph Thomas Coenraad met Wullan Sari (volgens familieoverlevering een dochter van soesoehoenan Pakoeboewono III) omstreeks 1760.
* Hijneman/Heijnemann Beer met Kastoeri (volgens familieoverlevering een dochter van de regent van Semarang) of in een andere variant van het verhaal, met een ‘Solose prinses’ omstreeks 1780.
* Frans Lutter, soldaat of korporaal in VOC-dienst, met Radèn Ajoe Tika Djodjodirdjo (uit het huis Tjitrosoman) (volgens de genealogie Lutter in Nederlandse Genealogieën 11 (1996) 183-209) te Japara op 23 januari 1795.
* Paolo Mafficioli del Castelletto (±1795-1846) met de inlandse vrouw Lisa Tumpa (volgens familieoverlevering een Solose prinses).
* Jorge Juan Crisostomo Bish (afkomstig uit Cadiz) met een inlandse vrouw, bij de doop genaamd Augustina (volgens familieoverlevering Radèn Adjeng Acha) te Buitenzorg op 5 maart 1845.
* Jacob Eilbracht met de vrije inlandse vrouw Tjibaria/Tjabaria, bij de doop genaamd Wilhelmina Jacoba Emilia (volgens familieoverlevering dochter van Pangéran Midoen van het West-Sumatraanse rijkje Bangka Hulu/Benkoelen) te Batavia op 23 maart 1850.
* Jhr. Marius Johannes van Braam met de inlandse vrouw Pentras (volgens familieoverlevering een Solose prinses) te Soerakarta op 10 april 1855.
* Abraham Oltmans met de inlandse christin Maria, voor haar doop Attema Seman (volgens familieoverlevering Radèn Adjeng Attema Seman) geheten, te Klaten (Soerakarta) op 14 mei 1902.
Vriendelijke groet.