Met wat leeswerk komt mijn geheugen weer tot leven en dat
brengt enige verheldering voor onze vraagstelling.
Oudtijds kenden we deze situatie:
In Den Haag was de zogeheten Rijksinspectie van de
Bevolkingsregisters gevestigd. Deze was belast met het toezicht op de gang van
zaken bij de gemeenten. Daarnaast was de Rijksinspectie beheerder van het Centraal Bevolkingsregister.
Dit register had de persoonskaarten van mensen van wie geen
vaste verblijfplaats bekend was onder zich. Bijvoorbeeld wanneer zij met
onbekende bestemming verdwenen waren of wanneer rechtens vermoeden bestond van
hun overlijden.
Zo ook - en dat is voor ons het belangrijkste- wanneer zij
zich definitief metterwoon naar het buitenland hadden begeven. Emigratie derhalve.
Hun kaart werd daar dus bewaard; zouden zij ooit terugkomen, dan kon de kaart
gewoon uit het register worden genomen en opnieuw toegevoegd worden aan het
register van een Nederlandse gemeente.
We kunnen wel aannemen dat dit ook de procedure is geweest
voor mensen die overzee vertrokken naar het koloniaal Imperium.
De oude Rijksinspectie mocht uit het register ook
inlichtingen verstrekken.
Toen kwam in 1994 de basisadministratie; het thans geldende
digitale systeem. De Rijksinspectie werd
opgeheven. Nu bedoelt de overheid met opheffen wel vaker dat ze er iets anders
voor in de plaats zet en aldus geschiedde ook hier: het Bureau Vestigingsregister.
Dit bureau is een ambtelijke dienst van het Ministerie van
Binnenlandse Zaken, maar het is ondergebracht bij het gemeentehuis van Den
Haag. Kaarten van emigranten bevinden zich dus daar.
In aanvang mocht het Bureau nog inlichtingen geven, net als
voorheen de inspectie. Later echter was
de Wetgever van mening dat de persoonlijke gegevens zwaarder moesten worden
beschermd en dus werd de wet veranderd. Het mocht niet meer.
Maar de wet zou de wet niet zijn als er geen uitzonderingen
te bedenken waren en dat is dus ook hier het geval. Het Bureau mag dan wel in
beginsel geen inlichtingen verstrekken, omdat het nu eenmaal geen kennis heeft
van het eventuele overlijden, maar het mag dat wel als wij dat overlijden
kunnen aantonen. Dat hoeft niet per se met een ambtseedig document. Publicatie is toereikend en dat is
dus ook een advertentie in de krant.
Voorts -en dat is
voor ons ook van belang- mogen inlichtingen worden verstrekt als het rechtens aannemelijk
geacht kan worden dat betrokkene is overleden en daarvoor geldt de termijn van
100 jaar zoals we die kennen van het geboorteregister van de burgerlijke stand.
Dit is samenvattend wat ik gelezen heb, dus als ik lieg, is
het in commissie.
Zo zie je maar weer waar je allemaal terecht komt. Voor je het weet, ga je bestuursrecht studeren.