Goed zoeken. En begin 19e eeuw stond de fotografie nog in de kinderschoenen; Bertrand is overleden vóór dat de eerst foto ooit is gemaakt in 1826. Maar in 1842 bestond Bergzigt in ieder geval nog, dus misschien heb je ooit geluk:
Bron: Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1842. Een reisje door de residentie Bantam. (Met een wel zeer paternalistische toon, maar dat terzijde)
[...] [p. 241]
Wij bereikten Tangerang. De gulheid van den Hoofdschout deed ons spoedig aan een smakelijk ontbijt de onaangename reis vergeten. Zijne woning, aan de rivier uitgebouwd, biedt een bekoorlijk gezigt over den kronkelenden stroom, die aldaar in den regentijd tot eene breedte van vijf honderd en vijftig voet kan aanwassen.
Tangerang is een levendig plaatsje; men heeft er het veer, dat, als overtogt tusschen Batavia en Bantam, gedurige drokte en afwisseling oplevert. Buiten de verspreid wonende Inlanders, hebben er zich nog een tweeduizendtal Chinezen met der woon gevestigd. De Hoofdschout en familie zijn de eenige Europeanen, te midden eener bevolking, die geenszins de beste is, en onder elkander dikwijls de grootste ongeregeldheden bedrijft; gelijk de staat der gevangenissen genoegzaam kan getuigen, die in de laatste vijfen-twintig jaar slechts één vier-en-twintig uur zonder misdadigers waren, en op het oogenblik, toen wij die bezigtigden, meer dan veertig bevatteden, waaronder eenige moordenaars. Vergeefs zocht ik echter op hun gelaat naar die sterk teekenende lijnen en uitgedrukte hartstogten, welke zulk eene misdaad konden verraden; het karakterlooze gelaat en gluipende oog bevestigden maar al te zeer, dat het sluipmoorders waren. Het zedelijk overwigt en gezag van den Europeaan schijnen genoegzaam, om zijne rust, ook te midden van duizende Inlanders, te verzekeren.
Gedurende ons verblijf op Tangerang maakten wij een uitstapje naar het een groot uur ter zijde van den weg gelegen Bergzigt. Hooger gelegen, kwam het mij voor aldaar reeds in aangenamer dampkring te ademen dan te Batavia. Overal is het landleven schoon en genoegelijk; wij ondervonden het ook op Bergzigt in ruime mate.
Zondag van Batavia vertrokken, verlieten wij Dingsdag's Tangerang, [...]
Bron uit de juiste periode: "BRIEVEN VAN EN- AAN Mr. H. J. VAN DE GRAAFF 1816-1826. Eene "bijdrage tot. cle kennis der Oost-Indische bestuurstoestandén onder de regeering van G. A. G. P. baron VAN DER CAPELLEN. Geordend, zoomede van een Geschiedkundig overzicht, Aanteekeningen en een Alphabetisch register voorzien DOOR P. H. VAN DER KEMP. EERSTE DEEL. GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT.
Overgedrukt uit de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen."
[Pagina 168/169]:
„De heer Petel, een man met vrouw en elf kinderen, heeft zijn land moeten afstaan aan den heer Arnold , die zijne gemaakte absentie naar Europa hem voor de helft in zijne bezitting heeft geruineerd. De heer Petel maakt echter eene uitzondering daaromtrent 2), als zijnde door de assistentie, die het Gouvernement hem verleend (de ijver van den man verdient deze consideratie) in de gelegenheid gesteld zijn geluk te beproeven met den aanleg van eene indigo-fabriek in de residentie Paccalongang. Ik vrees echter, dat het den man daarmede even zoo zal gaan, als met eene zelfde onderneming op Bergzigt. — De heer Arnold heeft het grootste gedeelte van de koffij tuinen op dit land weder opgeofferd voor den aanleg van eene indigo-fabriek. Hij beweert, dat de mislukking van eene gelijke onderneming op Bergzigt, onder de directie van den heer Petel veroorzaakt is , omdat de gansche omslag van de fabriek op eene al te ruime schaal was gebragt; en ik heb reden te geloven, dat dit zoo is. — De heer Petel viel wat ia het omslagtige, en was zeer splendied in zijne uitgaven en dit voorzie ik, dat met hem ook het geval zijn zal op Paccalongang ; hij verstaat geen economie ; of de speculatie van den heer Arnold voordeeliger voor hem zal afloopen , moet de tijd leeren. Ik mag het wenschen, maar zie het er niet op: de tijd zal dit leeren 1).
2) Namelijk . dat de Rogeering de ondernemers aan hun lot overliet.
1) Ik dacht er eerst aan om deze mededeelingen over den heer Petel weg te laten; doch Engelhard doet hier weder eene profetie, die uitgekomen is, en tweedens krijgt men hier iets over de indigocultuur , waarvan in deze periode onzer Indische geschiedenis wel wat mag worden gezegd. In de „Memorie van den Commissaris-Generaal J. van den Bosch, 1831 (Verslag mijner verrigtingen in Indië, gedurende de jaren 1830 , 1831 , 1832 en 1833)" in de Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor taal-, land- en volkenkunde van Ned. -Indië , 1864, leest men op bl. 376: „De indigokultuur werd mede beproefd. Reeds vroeger had dezelve op Java bestaan , dan zij was onder het bestuur van den Gouverneur-Generaal Daendels afgeschaft. Sedert had de heer Petel die kuituur weder opgevat en de nieuwe bereidingswijze, derzelve ingevoerd. Door de aanmoediging , welke de heer Burggraaf Du Bus aan dezen tak van landbouw had verleend , was de hoeveelheid daarvan , in 1823 {dit is een schrijffout) uitgevoerd , tot ruim 17.000 en in 1830 tot ruim 46.000 'S? gestegen. De kosten der productie echter waren aanmerkelijk, zoodat bij de daling van den prijs der indigo , tengevolge van de steeds toenemende uitbreiding dezer kuituur in meer andere landen , de in dien tijd hier te lande opgerigte en aanvankelijk zoo veel belovende fabrieken allen zijn te gronde gegaan en de ijverige en kundige heer Petel, die zooveel had toegebragt om dezelve tot stand te brengen , ook daardoor zijn aanzienlijk fortuin verloren en zijnen algeheelen ondergang berokkend heeft."