Met compliment voor de heer Karssenberg en anderen, nú een overzichtje van de voorouders van Eduarda. Het overzichtje heeft nog een muzikaal tintje. Wat is genealogie toch leuk, met behulp van enkele doorgewinterde genealogen!! Groet, Leo.
p.s. ik moet nog gaan googelen naar Brouwersgracht etc. Zal ook wel raak zijn.
Concept-Kwartierstaat van Charlotta Eduarda Ingels
Generatie I
1. Charlotta Eduarda Ingels (Engels), dochter van Johannes Benedictus Ingels en Johanna Catharina Losson, geboren te Amsterdam circa 1668, begraven te Amsterdam in de Oude Kerk op 15 september 1716 DTB 1048, ondertrouw (resp. ongeveer 18 en ongeveer 25 jaar oud) te Amsterdam (DTB 695, p. 255/huwelijksintekening van de PUI) op 1 oktober 1686 met Cornelis Janszn. van Lintelo, woont ten tijde van zijn huwelijk op de Brouwersgracht, zoon van Johannes van Lintelo en Christina van der Mije (Meije), geboren te Amsterdam circa 1661, overleden (ongeveer 59 jaar oud) in 1720. Uit dit huwelijk 4 kinderen.
Generatie II
2. Johannes Benedictus Ingels, zoon van Benedictus Janszn. Ingels (advocaat te Amsterdam) en Elisabeth Jansdr. Sweelinck , begraven te Amsterdam in de Oude Kerk; de Erven van Jan Benedictus Ingels verkopen op 30.11.1675 aan Mr. Nicolaes Benedictus Ingels een Erf en zomerhuis met fundamenten van een metselwerk, park A bij de Leidsestraat - Keizersgracht (OZ) op 2 oktober 1670, trouwt te Amsterdam (DTB 686, p. 146/huwelijksintekening van de PUI) op 14 november 1664, kerkelijk huwelijk te Antwerpen [België] in 1664 met
3. Johanna Catharina Losson uit Antwerpen afkomstig, dochter van Johan Losson en Eleonora van Hove , overleden op 23 mei 1709, ondertrouw (Johannes ongeveer 37 jaar oud) (2) te Amsterdam (DTB 688, p. 278/ huwelijksintekening van de PUI) op 21 oktober 1671 met Johannes van Lintelo (Linteloo), zoon van Evert van Lintelo en Trijntje Ooms, geboren in 1634, overleden (ongeveer 65 jaar oud) in mei 1699.
Uit dit huwelijk 3 dochters:
1a. Johanna Isabella Ingels, geboren te Amsterdam in 1666, overleden (ongeveer 44 jaar oud) te Amsterdam op 23 juli 1710.
1b. Charlotta Eduarda Ingels, geboren te Amsterdam circa 1668, begraven te Amsterdam op 15 september 1716, zie 1.
1c. Maria Eleonora Ingels In het Utrecht Archief (invnr.: U097a007) wordt een aktenr. 80 met datum: 27-02-1694 bewaard waarbij door haar plannen worden gemaakt tot voeren van een proces tegen Gerard Schaap, makelaar te Amsterdam, in verband met vermeende trouwbelofte, die door haar tydens haar minderjarigheid zou zyn gepasseerd; de akte vermeldt niet wat er is gevolgd!.
Johanna Catharina Losson uit Antwerpen afkomstig, trouwt (2) met Johannes van Lintelo (Linteloo). Op 28 maart 1710 verkopen de erven van Johan van Linteloo en van zijn echtgenoot Johanna Catharina Losson: De Keizerskroon, herberg, erven en 2 pakhuizen, tussen Binnen Brouwersstraat en Korte Prinsengracht - Brouwersgracht (NZ).
Uit dit huwelijk 2 dochters:
1d. Eleonora Cornelia van Lintelo ten tijde van haar huwelijk een j.d. "tot Uijtrecht", overleden na 1709.
1e. Catharina van Lintelo.
Generatie III
4. Benedictus Janszn. Ingels, zoon van Reinier Ingels (advocaat te Amsterdam) en Dieuwer Bentes, geboren circa 1600, advocaat te Amsterdam, begraven te Amsterdam in de Oude Kerk in mei 1664, trouwt (resp. ongeveer 35 en ongeveer 31 jaar oud) op 27 april 1635 met
5. Elisabeth Jansdr. Sweelinck, dochter van Jan Pietersz Sweelinck (musicus en organist van de Oude Kerk) en Claesgen Dircxd Puyner, geboren circa 1604, overleden (ongeveer 60 jaar oud) te Amsterdam in 1664.
Uit dit huwelijk 2 zonen:
2a. Johannes Benedictus Ingels, begraven te Amsterdam op 2 oktober 1670, zie 2.
2b. Nicolaas Benedictus Ingels, geboren in 1639, advocaat te Amsterdam en Haarlem, overleden (ongeveer 68 jaar oud) in Beveren in het land van Maas en Waal op 20 maart 1707.
6. Johan Losson, geboren te Antwerpen op 4 maart 1601, trouwt met
7. Eleonora van Hove, overleden te Antwerpen op 30 december 1698.
Uit dit huwelijk een dochter:
3. Johanna Catharina Losson, overleden op 23 mei 1709, zie 3.
Generatie IV
8. Reinier Ingels
INGELS (Mr. Reynier) (1), geb. omstr. 1560, overl. tusschen 1622 en 1629, rechtsgeleerde. Hij werd 28 April 1581 student in de rechten te Leiden (‘Regnerus Ingelius Amsterodamensis J.’) en vestigde zich na zijn promotie als advocaat te Amsterdam; dit was in een tijd, toen nog zeer weinig advocaten te Amsterdam praktiseerden. Blijkens het amsterdamsche belastingkohier van 1585 woonde hij toenmaals in de Kalverstraat; in 1605 en 1607 was hij gevestigd op den Nieuwe Zijds Achterburgwal. Hij bezat een huis te Ankeveen, dat hij des zomers bewoonde. Begin 1622 gaf hij nog zijn zoon Mr. Barthout (zie art.) als priester op bij den magistraat van Amsterdam. In een brief van Hooft dd. 10 Juni 1629 wordt bij als overleden vermeld. Zijn huis te Ankeveen was toen ‘vertimmert en verkapt en pavillon’ en werd bewoond door zijn zoon Mr. Jan Ingels, die voorgaat, en zijn schoonzoon Jan Vechtersz.
Reynier Ingels was de stamvader van het aanzienlijke katholieke geslacht Ingels te Amsterdam, waartoe verschillende juristen en priesters hebben behoord. Omstr. 1582 huwde hij Dieuwer Bentes (of Bennings), die als zijn weduwe voorkomt in 1631, woonachtig op de Oude Vesten (haar vermogen werd toenmaals geschat op ƒ 32.000). Van zijn kinderen noemen wij: Maritgen, geb. omstr. 1583, te Amsterdam op 29 Dec. 1605 ondertrouwd met Arent Willemsz.; Catharina, geb. omstr. 1587, ondertrouwt te Amsterdam 7 Mei 1607 met Jan Vechtersz, woonachtig in de Kalverstraat; Barthout, die voorgaat; Jan, die voorgaat; Mr. Benedictus, geb. omstr. 1600, werd advocaat te Amsterdam, begr. ald. in de Oude Kerk, Mei 1664, ondertrouwde aldaar 27 April 1635 met Elisabeth Jansdr. Sweelinck, een dochter van den organist Jan Pietersz. Sweelinck (zie art.). Uit dit huwelijk worden een drietal kinderen vermeld: Joannes Benedictus Ingels, begr. in de Oude Kerk te Amsterdam 2 Oct. 1670, trouwt te Antwerpen in 1664 (ondertr. te Amsterdam 16 Nov.) met Johanna Catharina Losson, te Antwerpen woonachtig (uit dit huwelijk drie dochters); Mr. Nicolaas Benedictus Ingels, geb. te Amsterdam 1639, jur. stud. te Leiden 12 Aug. 1659, daarna advocaat te Amsterdam, overl. te Beveren in het land van Waas 20 Mrt. 1707, teekent te Amsterdam 29 Oct. 1667 aan met Catharina Agatha de Kies te Haarlem (uit dit huwelijk drie zoons, die ongehuwd blijven, en twee dochters); Jan Ingels, ongehuwd overl. en begr. in de Nieuwe Kerk te Amsterdam 19 Nov. 1678.
Zie: Huwelijksint. reg. van de Pui te Amsterdam (Gem. Archief aldaar); Dietsche Warande X, 324; Oud-Holland III (1885), 290, 294, 295; T.M.C.H. van Rijckevorsel, Geschiedenis van het R.C. Maagdenhuis te Amsterdam (1887), 52; Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem XVIII (1893) 51; J.G. van Dillen, Bedrijfsleven en gildewezen van Amster dam (1934) II, 238; dez, De sergeants en schutters van Rembrandt's schuttersoptocht in Jaarboek Amstelodamum (1934), 99; B. van den Sigtenhorst Meyer, Jan Pietersz. Sweelinck 1934, 18.
Wijnman,
geboren circa 1560, advocaat te Amsterdam, overleden (ongeveer 69 jaar oud) in 1629, trouwt (ongeveer 22 jaar oud) circa 1582 met
9. Dieuwer Bentes Bennings.
Uit dit huwelijk 3 zonen:
4a. Johan Reiniersz Ingels
INGELS (Mr. Jan), gelatiniseerd Ingelius, geb. te Amsterdam omstr. 1595, overl. na 1654, rechtsgeleerde en letterkundige. Hij was een zoon van Mr. Reynier Ingels. Zijn naam vindt men niet vermeld in een der nederlandsche alba studiosorum, zoodat hij vermoedelijk in het buitenland (Leuven?) gestudeerd heeft. In 1617 vestigde hij zich te Amsterdam als advocaat; dit blijkt uit een verklaring op 31 Mei 1631 afgelegd o.a. door de toenmaals belangrijkste advocaten van Amsterdam, Jan de Witte, Pieter Cloek, Jan Ingels en Dirk Buis, waarvan vermeld werd dat deze resp. 32, 21, 30 (lees: 13) en 12 jaren de praktijk aldaar hadden uitgeoefend (Consultatien, advyzen en advertissementen 1662, III, 467-69); met de Witte was hij in 1624 opgetreden als advocaat van eenige R.-K. tegen den bisschop van Haarlem (Bijdr. voor de gesch. van het bisdom van Haarlem, 1873, I, 337, 338). Op 19 April 1617 ondertrouwde hij als ‘Doctor Joannes Ingels’ te Amsterdam met Cunera van Veen, dochter van Mr. Simon van Veen (dl. VII, kol. 1299). Van zijn vader had hij een huis geërfd te Ankeveen, dat hij des zomers bewoonde; vandaar dat hij belangen had in Gooiland. In 1625 verkreeg hij met anderen vergunning om eenige moerassen aldaar droog te maken; in 1634 was dit werk voltooid, dat de oorsprong werd van het dorp 's Graveland. In zijn huis te Ankeveen had hij een kamer ingericht als r.-k. kapel; bij een huiszoeking werd dit door Hooft als baljuw van Gooiland ontdekt (1629). Niettemin was hij een geziene gast op het Muiderslot. Zoo schrijft Hooft aan Baeck dd. 21 Juli 1634: ‘D'advocaet Ingel zondt ons eenighe latijnsche veirsen, in de welke ujtgelejt was wat yders bedrijf zoude zijn; ende geeft hij UE den last van alles nae te vertellen. D. Barlaeus heeft se beantwoordt’. Hooft uit zich in een brief aan Baeck dd. 15 Aug. 1641 eveneens vleiend over Ingels: deze zou bij een bezoek van Baeck en zijn vrouw aan het Muiderslot voor goed gezelschap en ‘fraeye geesten’ zorgen. Van Barlaeus bestaat nog een 18-regelig lofdicht Ad ampl. doctissimumque virum Johannem Ingelium advocatum et poëtam insignem (Barlaeus, Poemata (1645) II, 573). In 1644 deed Hooft op last van hoogerhand wederom een inval in het huis te Ankeveen, benevens in een huis te Hinderdam, dat eveneens aan Ingels toebehoorde. Ook in het laatste was een ruimte als kapel ingericht.
Gedichten van de hand van Ingels zijn thans niet meer aan te wijzen. Drie er van, gericht aan Barlaeus (van 13 Dec. 1639, Jan. 1641 en Dec. 1642), waren in hs. indertijd in het bezit van jhr. I.F. Storm van's Gravesande op het kasteel De Bramel te Vorden, zie Bibliografische adversaria (1874-75) II, 136; zij waren geteekend J.R. Ingelius.
Ingels was te Amsterdam in 1631 woonachtig op den Wester-achterburgwal, waar men ‘Mr. Jan Engelen met d'erffenis’ vermeld vindt, getaxeerd op een vermogen van ƒ 16.000 (Kohier van den 200sten penning voor Amsterdam, uitg. door J.G. en P.J. Frederiks, 1890, 67). Op het eind van zijn leven ging hij failliet. Op 7 Jan. 1654 werd de inventaris opgemaakt van zijn huis te Amsterdam en van de hofstede bij den Hinderdam aan de Vecht; deze inventaris vermeldt ruim 30 schilderijen (w.o. een St. Jan van Rembrandt, een koeketer van Lievens), verder teekeningen, prenten, (o.a. een crucifix van Rembrandt), een clavecimbel enz. Zie Gem. Arch. Amsterdam, Desolate Boedelkamer 359, fo. 240.
Uit zijn huwelijk werden een achttal kinderen geboren; de namen er van komen voor op een kelk van verguld zilver, thans nog bewaard op het Bagijnhof te Amsterdam; deze kelk was blijkens de inscriptie geschonken aan den jongsten zoon Mr. Reynier (2), die volgt. Behalve laatstgenoemde waren kinderen van Jan: Simon, die volgt, Cornelis, die voorgaat; verder: Anna, Agatha, Joanna, Divera en Gertrudis. Zonder voldoenden grond hebben van Rijckevorsel en Sterck ondersteld dat Anna Ingels dezelfde zou geweest zijn als Anna Engels, die bezongen is in de Maydeuntjes, welke Vondel in den mond legt van Constantyn Sohier, den zusterszoon van Hooft (1642). Anna werd de tweede echtgenoote van den schilder Adriaan van Ostade, met wien zij in 1657 huwde; zij werd te Haarlem begr. 24 Nov. 1666 (A. van der Willigen Pz, Geschiedk. aant. over Haarl. schilders, 1866, 171). Over een aan Mr. Jan Ingels toegedichten zoon Johannes Ingels zie men de art. Cornelis en Reynier Ingels (2).
Zie: P.C. Hooft, Brieven. Uitg. door J.v. Vloten II (1856), 397; IV (1857), 30; Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht I (1875), 272; XXIV (1897), 250, 265; Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem VIII (1880), 236, 237; Oud Holland(1887), 105; T.M.C.H. van Rijckevorsel, Geschiedenis van het R.C. Maagdenhuis te Amsterdam (1887), 53; H.J. Allard, Vondeliana in Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied (1890), 287-292; A. Bredius, Künstler-Inventare I (1915), 215; J.F.M. Sterck, Rondom Vondel (1927), 44; P. Leendertz Jr, Uit den Muiderkring (1935), 159, 160.
Wijnman,
geboren circa 1595, advocaat en literator, overleden (ongeveer 59 jaar oud) in 1654.
4b. Barthout Bartoldus Ingels, pastoor in Ankeveen, overleden op 2 december 1653.
4c. Benedictus Janszn. Ingels, geboren circa 1600, begraven te Amsterdam in mei 1664, zie 4
10. Jan Pietersz Sweelinck, zoon van Pieter Swybertsz. en Sweelinck, geboren te Deventer in mei 1562, musicus en organist van de Oude Kerk, overleden (59 jaar oud) te Amsterdam vanuit de "Coestraat" op 16 oktober 1621, begraven te Amsterdam in de Oude Kerk op 20 oktober 1621, ondertrouw (resp. 27 en ongeveer 25 jaar oud) te Amsterdam op 28 april 1590, trouwt te Medemblik met
11. Claesgen Dircxd Puyner (Puymer?) (zie ook Utrechtse Parentelen deel 2?), dochter van Dirck Pietersz. Puyner en Meijns Janszoonsdr. Pledtser, geboren te Medemblik circa 1565, overleden (ongeveer 72 jaar oud) te Amsterdam op 2 januari 1637, begraven te Amsterdam in de Oude Kerk op 6 januari 1637.
Uit dit huwelijk 2 kinderen:
5a. Pieter Janssen Sweelinck koopman; regent van het Aalmoezeniershuis, gedoopt te Amsterdam Grote kerk op 13 februari 1593, overleden (ongeveer 76 jaar oud) te Amsterdam in 1670, begraven te Amsterdam in de Oude Kerk op 18 september 1670.
5b. Elisabeth Jansdr. Sweelinck, geboren circa 1604, overleden (ongeveer 60 jaar oud) te Amsterdam in 1664, zie 5.