Bron: DE LEENKAMER VAN DE BURCHT TE LEIDEN, 1256-1744, door C. Hoek
Monster [Westland]
11. 1365: 17 morgen land op de oostzijde van de Poel, genaamd de Hoeve (1370: gebruikt door Jacob Alewijnsz. en Pieter Vrucht, ten dele in Wateringe gelegen en genaamd de Dijc)
. ..-.-13..: De vrouwe van Teylinghe, die het leen aan Gheret Zweyn en zijn broer Harper in achterleen heeft gegeven (AA, fol. 9).
18-4-1365: Jacob Buekel Ghisebrecht Buekelsz. van IJsselmonde (AA, fol. 34).
3-7-1370: Jacob Bokel krijgt het leen ten vrij eigen en geeft het op 3-8-1370 aan zijn leenman Ghisebrecht Sweynen eveneens ten eigen (Gemeente-archief Leiden, Kerken inv.nr. 493, fol. 63 en nr. 745).
Dit is een nogal vergezochte 'link' tussen Leiden en de bedoelde Jacob Bokel. Het geslacht Teylingen is hierboven ook al even aan de orde gekomen. Blijkbaar gaat dit leen vrij rechtstreeks over van de Vrouwe van Teylingen op de bedoelde Jacob Bokel; want de 'onderhuurders' zijn Gerrit en Harper Zweijn, en daarna Gijsbrecht Zweijn; daar lijkt sprake van een rechtstreekse erfopvolging. Meer details over dat leen hier. De burggraaf van Leiden zou een 'Bokel' zijn?
Gecombineerd met Bron: REPERTORIUM OP DE GRAFELIJKE LENEN TE BLEISWIJK, HILLEGERSBERG, KRALINGEN, OVERSCHIE, ROTTERDAM, SCHIEBROEK, SCHOONDERLOO EN ZEVENHUIZEN, 1200-1648, door C. Hoek
28. Het ambacht, waarin heer Ghisebrecht Bokel woont, dat zich uitstrekt tussen de teen van Blomartsdijk en het ambacht van Seonerlo enerzijds en het midden van de Rotte anderzijds tot in de Merwede met inbegrip van het ambacht Coele, dat in achterleen wordt gehouden door de kinderen van Florens, de broer van heer Ghisebreeht Bokel (1367: de ambachten Bloemersdijc en het Rode Sant, 1420: dat gelegen is binnen de stad Rotterdam, 1447: alleen het ambacht Bloemersdijck, 1596: Oost- en West Blommersdijck, genaamd Cool).
8-4-1358: Vrouwe Janne van Teylingen, gehuwd met heer Willaem van der Wateringhe, heer van Teylinghe, ridder, geeft aan de stad Rotterdam toestemming om de stadsgracht door haar ambacht te graven. In het deel van het ambacht, dat daar binnen zal vallen, zal haar schout met de schepenen van Rotterdamme recht spreken, waarbij deze L/ van de opgelegde boeten zal innen. Dit gebied, genaamd het Rodesant, ontvangt van de graaf stadsrechten (Oud Archief van Rotterdam, inv.nr. 683, fol. 9v en 10).
2-4-1365: Heer Gherijt van Heemstede voor zijn leven, nadat het leen was afgestorven bij dode van de vrouwe van der Wateringhe (L.H. 50, fol. 88v).
22-4-1367: Jacob Bokel na overdracht door heer Gherijt van Heemstede (L.H. 49, as).
..-.-1382: Heer Gerit van Heemsteden en heer Jan van Heemsteden, ridders, dragen al hun rechten op het leen aan de graaf over (Graven van Holland, inv.nr. 2120 1, fol. 61v).
4-5-1395: Ghisebrecht Buekel Jacob Buekelsz. bij dode van zijn vader Jacob Buekel (L.H. 52, fol. 162v).
Wat precies de relaties zijn tussen vrouwe Janne van Teylingen, Gerrit van Heemstede (bij dode van de vrouwe) en Jacob Bokel (overdracht) kan ik niet duiden. D'r is bij de details over het eerste leen hierboven ook sprake van een 'Gerard van Theilingen' als getuige d.d. 22 juli 1223. Wat ook opvallend is, is dat in april 1365 het 2e leen hierboven in Rotterdam éérst naar van Heemstede gaat, en pas in 1367 naar Bokel. Het eerste leen (in Monster) gaat in april 1365 rechtstreeks naar Bokel terwijl het andere leen in april 1365 bij dode van de vrouwe overgaat. M.a.w. de overdracht in april 1365 van het leen in Monster is vermoedelijk ook bij dode van de vrouwe van Teylingen en rechtstreeks aan Jacob Bokel.