Hier:
Het eerste Huis Steneveld
Hiermee zijn we aangeland bij de eerste vermelding van het Huis Steneveld in de bronnen. De oudste vermelding is die van 29 januari 1541: voor de schout en buurlieden van Leiderdorp verschijnt Florys Gerrytsz. van Steenevelt, die erkent verkocht te hebben aan Gerryt Jan Kerst antsz. van Steenevelt, zijn vader, zes gouden Karolusguldens per jaar aan eeuwige en erfelijke rente of "pacht mitten houde", "geypotekert ende staende up zijn hofstede van Steenevelt ende up omtrent 22 morgen lants om ende an dezelve hofstede leggende in den ambochte van Ley derdorp". De diepere betekenis van deze rente was dat Gerryt Jan Kerstantsz. of zijn rechtsop volger bij verkoop van Steneveld ca. het recht van naasting of nakoop zou hebben, met andere woorden de koop mocht overnemen indien de koper niet naar zijn zin was. Dit was een probaat middel om een goed in de familie te houden; onwelgevallige kopers konden daarmee afgetroefd worden. Deze pacht zou ieder jaar op 1 februari voldaan moeten worden, voor de eerste keer in 1542. Door deze akte (12) is getransfigeerd, dus gekoppeld door het door deze akte steken van de zegelstaarten van de nieuwere akte alvorens die bezegeld werd, een akte van 9 februari 1541, waarin Gerryt Jan Kerstantsz. van Steenevelt ten overstaan van schepenen van Leiden de rente/pacht van zes karolusguldens schenkt aan "Beatris Gerrytsdochter, meester Vranck Paed sen huysvrouwe, zijn dochter". De volgende vermelding is een indirecte en komt voor in de transportakte van de hofstede Ste neveld d.d. 4 juli 1722 in het transportregister van Leiderdorp (13). Onder de in deze akte ge noemde herkomsttitels komt als oudste waarbrief voor die van 20 januari 1542, toen het goed door Floris van Stieneveld werd overgedragen aan Mr. Vrank Paats, de man van zijn zuster Beatrix van Stieneveld. Dit gegeven wordt bevestigd door de vermelding in het oudste morgen boek van Leiderdorp uit 1543 waar als eigenaar wordt genoemd "Mr. Vranck Paedts die het huys selver gebruyckt met den uyterdyck (14). De kort daarop volgende akte (15) van 28 augustus 1543 is een heel belangrijke: schepenen van Leiden verklaren dat Floris van Stienevelt ontvangen heeft van mr. Vranck Paeds, zijn zwager, gehuwd met Beatris van Stienevelt, 5000 karolusguldens in volle betaling van 8000 karolusgul dens, "roerende de coepe van de hofstede ende huysinge van Stienevelt mitten huysraet daerin ne wezende ende mitte laenen, boomgaerden ende potinge dairtoe behoerende, mitsgaders omtrent 21 morgen lants, bij den hoep sonder maet, an deselve hofstede behoerende, gelegen in den ambochte van Leyderdorp, mit noch dat stienplaetshuys mitte stienoven, loedzen, schuy ren ende oick daertoe al 'tgeen dat totte selve stienplaetse behoerende is, al 'twelck .... Paeds .... van Floris van Stienevelt gecoft heeft, breder blijckende bij de wairbrieve daervan wezende ... onder beding dat de losrenten van 50 resp. 18 karolusguldens, die Gerryt Jan Kerstantsz. heeft, zullen komen ten laste van Vranck en Beatrix. Hieruit valt te concluderen dat Gerryt Jan Kerstantsz. op dat moment nog leefde, maar de rekening van het Catharinagasthuis (16) van het boekjaar febr. 1543 tot febr. 1544 meldt de ontvangst van een legaat op 28 januari [1544] van Geryt Jan Korstenzz. ter waarde van het kapitale bedrag van 80 Philippusguldens. Blijkens een speciale vermelding was dat geld in feite al enkele jaren geleden ontvangen (17). Dit alles doet de gedachte opkomen dat Gerryt rond 1539 begonnen is zijn erfeniszaken te regelen. Dit vindt een extra bevestiging in het testament dat hij op 14 februari 1541 voor schepenen van Leiden maakte (18). Ook uit de rekeningen van de kerkmeesters van de St. Pietersparochie in Leiden, afgesloten in 1543, vernemen we dat geld is ontvangen wegens een testament van Gerrit Jan Kerstantszz (19). Hij moet dus nog tijdens zijn leven de verkoop van Steneveld ca. aan eerst zijn zoon Floris geregeld hebben en daarna er mee ingestemd hebben dat deze dit weer over deed aan schoonzoon Paets. Beatrix en Floris zijn dus kinderen van Gerrit Jan Kerstantszz., die in 1515 onder de naam Gerrit Jansz. van Steeneveld werd benoemd tot hoogheemraad van Rijnland (20). Hij bleef dat tot zijn afstand in 1518. Dit is volgens de huidige stand van het onderzoek de eerste keer dat de naam 91 Steneveld in de archieven opduikt. Het vermoeden is wellicht gewettigd te veronderstellen dat Gerrit Jan Kerstantszz. de eerste eigenaar is geweest en mogelijk ook het huis Steneveld heeft gebouwd. Hetgeen bij de opgravingen werd aangetroffen wijst immers op een periode niet eer der dan rond 1500. Gerrit zou zich met de bouw van Steneveld van een aanzienlijke woning en een achternaam hebben kunnen voorzien. Gerrits vader was Jan Kerstantsz., blauwverver en drapenier van beroep, schepen en veertigraad van Leiden tot zijn dood in 1514. Hij behoorde tot de hoogstaangeslagenen van Leiden en was in tweede echt getrouwd met Sophia (Fye) Willemsdr., waardoor hij in 1492/1507 één van de stichters werd van het St. Annahofje aan de Hooigracht. Jan Kerstantsz. was derhalve via zijn vrouw geparenteerd aan de aanzienlijkste burgerfamilies van Leiden. Zoon Willem Jan Kerstantsz. werd schepen, burgemeester en veertigraad van Leiden en trouwde Margaretha van der Does, dochter van Willem van der Does en Hendrika van Poelgeest. Hun beider portret en wapens zijn door Cornelis Engebrechtsz. afgebeeld op de zijluiken van een memorietafel die in de Pieters kerk heeft gehangen boven het graf van Willem van der Does. Deze zijluiken bevinden zich thans in De Lakenhal. Door dit huwelijk met een lid van de Hollandse adel werd de status van de familie duidelijk verhoogd.
[...]
De hofstede Steneveld
Volgens de morgenboeken is in 1594 Andries Cornelisz. van Thoorenvliet eigenaar van de lande rijen van Steneveld; van een huis wordt niet gesproken. Het goed vererft 13 oktober 1609 op zijn zuster Machteld Comelisdr. van Thoorenvliet. In de hiervoor reeds genoemde transportakte van 4 juli 1722 wordt van Steneveld gezegd dat in haar tijd "daarvan nog niets was tot een hofstede geapproprieerd". Toch moet zij wel enkele opstallen hebben laten bouwen, want voor de collatérale successie heeft haar executeur-testamentair Johan van Heussen, rentmeester van het Catharinagasthuis te Leiden, in 1642 Steneveld als volgt beschreven: "de hofstede genaempt Stienevelt, gelegen bij de Zijlbrugge, mette boomgaerden, chingelen, groot omtrent 4 morgen ende 350 roeden (30). Haar erfgename was Weynina van Toorenvliet, dochter van Cornelis Vrancken van Toorenvliet, die weer een zoon was van Vrank Cornelisz. van Toorenvliet, de enige getrouwde broer van Machteld en Andries Cornelisz. van Toorenvliet hiervoor genoemd. Zij was 96 - - " in 1637 getrouwd met Gillis van Heussen Steffensz., die samen met haar op 16 april 1643 een octrooi van de Staten van Holland kreeg om bij testament over hun leengoederen te mogen beschikken (31). Wellicht voorzagen zij al dat zij geen kinderen zouden nalaten. Na haar dood in 1650 werd krachtens haar testament haar man volledig eigenaar van zowel Steneveld als het kasteel Torenvliet onder Valkenburg, waar Gillis zijn buitenverblijf had (32) aan nog een buiten, een kasteel Steneveld, zal zeker hij geen behoefte gehad hebben. Gillis overleed op 31 oktober 1660. In zijn olografisch (eigenhandig, geheim) testament van 1 december 1650, opgemaakt kort na het overlijden van zijn vrouw, had hij het volgende bepaald: "legatere ende bespreecke noch bij desen aen Gerrit van Heussen, soone van de voornomde Johan van Heussen, de hofstede Stenevelt met sijne chingelen ende wateren, thuyn ende laen, alsoock alle de landen daeraen behorende, gelegen in Leyderdorp omtrent de Zijlbrugge, sulx deselve mij de voorschreve mijne huysvrouwe aen mij gemaeckt ende besproocken sijn". Verder legateerde hij aan mr. Dirck van Heussen, een broer van genoemde Gerrit, het "huys Thorenvliet tot Valckenburch", aan hun vader Johan van Heussen het huis op de Breestraat bij Rijnlandshuis en afkomstig van zijn schoonmoeder, eventueel onder betaling van ƒ 20.000 aan de familieleden van die kant, enz. enz. (33). Van belang is vervolgens het testament van de volgende eigenaar, genoemde verre verwant Gerrit van Heussen d.d. 25 april 1662, verleden voor notaris Arend Raven te Leiden (34). Hij legateert aan zijn enige zoon Steffen van Heussen t Huys genaemt Stienevelt gelegen ontrent de Zijlbrugge in den ambochte van Leyderdorp ende dat met alle de singelen, plantachie ende landen daeraen behorende, niets uytgesondert". Hij bepaalt dat het huis moet vererven op de nakomelingen van zijn zoon en zo die mochten ontbreken op de naaste familieleden, zodat het huis nooit uit de familie zou worden vervreemd. Tussen 1650 en 1662 verandert de benaming duidelijk van hofstede in huis, zodat mag worden aangenomen dat er inderdaad herbouw heeft plaats gevonden. Gezien de bewering van Hugo van Heussen dat de herbouw door Gerrit van Heussen gerealiseerd is, kan deze op de periode 1660-1662 gesteld worden. Na het overlijden van Steffen Gerritsz. van Heussen kwam het huis aan zijn enig kind Maria Cor nelia van Heussen, die in mei 1681 kinderloos overleed. Het vererfde daarop aan de kinderen van mr. Dirk van Heussen, een broer van de hiervoor genoemde Gerrit van Heussen, namelijk mr. Hugo en zijn zusters Weynina en Agatha van Heussen. Na het overlijden van beide zusters was mr. Hugo van Heussen de enige eigenaar. Hij was priester en stierf op 14 februari 1719. Zijn erfgenamen mr. Hugo Gaal, Johanna van den Velde, Maria Theresia van den Velde, Eva van den Velde, Hugo van den Velde en Johanna Schouten verkochten op 4 juli 1722 het dan weer hofstede genoemde Steneveld, bestaande uit een huis ca., singels, plantages, weilanden en wateren, groot 12 morgen en 246 roeden, met alles wat aard en nagelvast was "en gevolgelijk niet de bomen staande op de brug waar het voorhuys mede staat, welke alle den huurder toe behoren, uitgezonderd de 4 zware perebomen, die den heer koper zullen volgen", voor f. 6100,- aan mr. Pieter Versijden. Deze bezat reeds het aan de overzijde van de Zijl gelegen Zijlhof en was mogelijk bang voor ongewenste activiteiten die zijn uitzicht zouden kunnen bederven.
Het 2e fragment is later gedateerd, maar het voorkomen van de namen Steffen en Dirk van Heussen is treffend. Helaas kom ik Gerrit Florisz nergens in dit document tegen, maar Gerrit Florisz is dus te koppelen aan een Dirk van Heussen d.d. 1562