Wat zou moeten worden uitgezocht is of Pieter en zijn kinderen heel erg aan de weg timmerden voor wat betreft hun maatschappelijke positie en sociale 'status'. Het is namelijk - op zich - een bekend verschijnsel in de bovenlaag van de samenleving dat er op een gegeven moment dubbele achternamen opduiken, ook in de 18e eeuw. Een klein citaat uit de familienamenbank ven het CBG, vroeger Meertens Instituut:
"dubbele naam
Een van de uiterlijkheden waarmee families uit de maatschapelijke bovenlaag zich onderscheidden, was met een dubbele familienaam. Aanvankelijk ontstonden deze namen door toevoeging van de naam van huizen, landgoederen of heerlijkheden aan de eigen achternaam nadat de betreffende families deze bezittingen hadden verworven, zoals bij Ruigrok van der Werve, Van Zuijlen van Nijevelt en Pompe van Meerdervoort. Vervolgens werden dubbele namen gevormd door de achternamen van beide ouders te combineren, of eventueel door de achternaam van een familielid of voogd toe te voegen, waarmee men een nauwe band had. Jan Bruins Slot, die in de 18e eeuw in Hoogeveen leefde, was een zoon van Pieter Slot en Femmegien Bruins. In de 19e eeuw werden dubbele namen bij Koninklijk Besluit geformeerd. Toestemming werd verleend als de familie(naam) van de moeder zou uitsterven. Een andere mogelijkheid die beproefd werd, was toevoeging van moeder's achternaam als (tweede) voornaam in de geboorte-akte. Dat trucje werd daarna tegengegaan door de wettelijke bepaling dat voornamen geen bekende achternamen mogen zijn, met uitzondering van achternamen die in die vorm ook vertrouwde voornamen zijn (Paul is zowel een voornaam als een achternaam, bijvoorbeeld).
Enkele van de meest voorkomende dubbele namen na Bruins Slot zijn de namen Maassen van den Brink, Lijcklama à Nijeholt, De Leeuw van Weenen, Kromhout van der Meer, Looren de Jong en De Cocq van Delwijnen.
Veel families met dubbele familienamen hebben een Indische geschiedenis. [...]"
Pieter Cappaart van Breda is in 1746 schoenmaker, en trouwt met de dochter van een kleermaker. Dat is niet echt 'bovenlaag', maar opvallend zijn de notariele stukken van ca. 1755 tot 1760, online bij het archief van Amsterdam:

Het zou goed zijn om ze allemaal uit te pluizen; die van 18-03-1758 begint als volgt:

en die van 12-12-1759:

....zeker dat 'juffrouw' (joffer) was een (aanspreek) 'titel' voor een meer welgestelde dame. Van onzetaal.nl:
"[...] Juffrouw
Juffrouw kreeg rond 1600 onder meer de betekenis ‘vrouw uit de fatsoenlijke (maar niet adellijke) stand’. Het kon daarbij zowel om ongetrouwde als om getrouwde vrouwen gaan. Deze keurige juffrouwen waren onder meer geliefd als winkelpersoneel en als gouvernantes en thuisonderwijzeressen. Zo kon juffrouw zich ontwikkelen tot een vaste benaming voor een vrouw die in een winkel of in de bediening werkt en voor een vrouw die onderwijzeres is. De benaming (winkel)juffrouw is inmiddels verouderd, maar juf(frouw) in de betekenis ‘(basisschool)lerares’ is nog steeds in gebruik. [...]"
Gezien het begin van de akten van 1758 en 1759 lijkt de verklaring en hypothese van Anneke mij inmiddels minstens plausibel. Maar ik ben wél heel benieuwd wat voor beroep, en eventueel wat voor andere functies Pieter Senior zo tussen 1755 en 1760 had bijvoorbeeld