suppl(ia)nt vraachde waar hij soo laat van daan quam, dat
den suppl(ia)nt daar op geantwoort hebben(de), ick come van
Adriaan Vonck, gebeurt is dat Aart van Zijl den
Jongen daar bij staande tegens den suppl(ia)nt seijde
bent gij dat manneken, u soo heeft mijn naegeroepen
dat ick mijn gelach niet betaalt en(de) hebb en(de) meer quade
woorden, daar bij vougen(de), dat hij suppl(ia)nt seijde t'is
niet waar bij mijn wetenschap, daar bij doende is
gisteren wat qualijck gescheijden gaat met mijn ick
will een vaan off twee ten besten geven, dat wij
fragment 4