Nog meer leed in de Haarlemse textielhandel. Op 18 feb 1627 leggen Guilliaum Cool, Dirck de Coninck en Pieter de Graeff een verklaring af ten behoeve van Janneken de Witte, weduwe van Michiel de Witte over geleverde textiel aan Chistine Marra, die claimde 116 in plaats van 136 stukken te hebben ontvangen. Ik mis nog een paar woorden in de transcriptie.
FamilySearch: Toegang 1617; Inv. Nr. 128; Notariële protocollen en akten van notarissen te Haarlem; Jacob Pietersz. Schoudt; dec. 1626-jul. 1627; Fo. 73; Scan 89/418; 18-02-1627 Attestatie ten behoeve van Anneken de Witte
https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:3Q9M-CSY1-8SQJ-8?cat=296766
73
Ter instantie ende versoecke van Anneken de
Witte, weduwe van Michiel de Witte,
wonende binnen deser stede.
Compareerde voor mijn Jacob Schoudt, not[ari]s publ[iecq] bij den Hove van
Hollandt geadmitteert, binnen den stede Haerlem residerende, ten
bijwesen van de naerbeschreven getuijgen Guilliaum Cool, smallen en[de]
noppenpacker, oudt omtrent XXXVIJ jaeren, Dirck de Coninck,
oudt XLIJ jaeren, ende P[iete]r de Graeff, oudt omtrent XXXVJ jaeren,
alle inwoonders deser stede, ende hebben bij heurluijden mannen
waerheijt en[de] waere woorden in plaets van gestaefde eede ten
v[er]soucke alsboven verclaert, getuijcht en[de] geaffirmeert
waerachtich te wesen elcxs 'tgeen hiernaer volcht.
Ende eerst de voors[chreven] Guilliaum Cool, dat hij omtrent Pinxter des
voorleden jaeren 1626, onbepaelt in die precijse dach voor de producenten
gepact heeft de quantiteijt van 138 garen, ofte Moscovische
noppen, daervan hij nu v[er]staet, datter ^hondert in een kiste
ses en[de] dertich
in een karren en[de] noch twee
in een ander karre^ ingeleijten en[de] v[er]sonden zijn, ende
dat hij deposant in 't maecken, ofte stellen van de factuur van de v[oor]s[chreven]
gepackte stucken die hij met sijn eijgen hant geschreven en[de] nu
onlangs ten huijse van Christine Marra gesien heeft, hem grootelijcxs
heeft geabuseert, ende in de plaetse van 136 op de voors[chreven] facture
maer geteijcken heeft 116. De voors[chreven] Dirck de Coninck en[de] Pieter
de Graeff verclaeren allebeijde wel te weten datte
hondert achten dertich garen, ofte Moscowische noppen van de
voorz[egde] v[er]eij[sch]te geweest zijn voor redens van weetenschap gevende
dat sij deselve gepact wesende, hebben ingeleijt en[de] toegesloten om
te versenden in deser voege ^zes^ hondert derselver stucken
beneffens 11½ vollen lijwoer, in een kiste, noch ses ende
dertich gelijcke stucken met 80 dammacten in een karre
ende ander twee noppen in een karre van . . . 'twelck
zij getuijgen presenteerden ten allen tijde excepsis regardt met
solemnelen eede te bevestigen, desnoot . . .ertie v[er]socht sijnde
en[de] . . .enterende en[de] aldus gedaen en[de] gepasseert binnen de v[oor]s[chreven] stadt
Haerlem, ten huijse mijns not[ari]s stae. . . de XVIIJen
februarij anno 1627, in presentie Mathen Schoudt, clercq
en[de] Passchier Caluwaert als getuijgen hiertoe v[er]socht.
Guiliaem Cool
merck
Dirck Conings bij mijn Pieter de Graef
eijgen hant Paesschier Caelewaert
M. P. Schout Quod attestor
Schoudt not[aris] pub[liecq] . . .
Michaël