Nos decanus totumque capitulum ecclesie Sutphaniense notum facimus universis presentibus lucide profitentes quod nos Evesam dictam Rolofhinck de Stockem, Suederum, Wolbertum, Fredericum et Evesam, eius liberos, qui nobis et ecclesie nostre predicte iure proprietario seu servili attinere solebant, ab omni eo jure absolvimus et manumittimus ac quitos dimittimus hiis presentibus liberos et solutos ratione cuiusdam peccunie? summe nobis per eosdem tradite et solute et per nos in neccesarios? usus ecclesie nostre converse
Wij, deken en het hele kapittel van de kerk van Zutphen, maken aan alle aanwezigen bekend, dat we Evesa genaamd Rolofhinck uit Stokkum, Sweder, Wolbert, Frederik en Evesa, haar kinderen, die ons en onze bovengenoemde kerk plachten toe te behoren volgens eigendoms- of horig recht, van al dat recht vrijlaten, vrijmaken en kwijten, op grond van een zekere som geld die door hen aan ons is overgeleverd en voldaan en door ons tot noodzakelijke doeleinden van onze kerk omgezet,
dantes eisdem licentiam ac omnimodam potestatem ius ministeriale seu quodcumque ius aliud recipiendi et alias se divertendi ad quemcumque dominum seu quodcumque dominium a quo defendi poterunt et tueri.
terwijl we hen toestemming en alle macht geven om dienstmansrecht of enig ander recht te ontvangen en zich anderszins te richten op welke heer of welke heerschappij dan ook door wie zij kunnen worden verdedigd en beschermd. (ik heb tueri nu “vertaald” door er vanuit te gaan dat de schrijver abusievelijk dacht dat er een actieve vorm tuere o.i.d. bestond).
Preterea bona sua dicta Rolofhinck cum omnibus suis attinentiis prout sita sunt apud Stockem in parrochia de Marclo a nobis et a nostra ecclesia predicta tenebunt sub annuo hereditario censu videlicet pro quinque solidis parvorum denariorum usualis pagamenti et legalis dandis et solvendis de ipsis bonis nobis singulis annis in die beati Martini hyemalis.
Bovendien zullen zij hun goederen genaamd Rolofhinck, met al hun toebehoren, zoals ze zich bevinden in Stokkum in de parochie van Markelo, van ons en onze kerk houden onder een jaarlijkse erfelijke tijns, namelijk voor vijf solidi aan kleine penningen in gangbaar en wettelijk geld, die alle afzonderlijke jaren op Sint-Maarten in de winter gegeven en betaald moeten worden.
Ita etiam quod quando?cumque ipsa bona vacare contigerit, is qui heres seu successor in eis fuerit, ea in die beati Martini predicto tunc? proximo sequente cum censo duplicato acquirere poterit seu debebit.
Zo ook dat wanneer het gebeuren zal dat dezelfde goederen vacant worden, degene die erfgenaam of opvolger ervan zal zijn, hen (c.q. de goederen) op voornoemde dag van Sint-Maarten die dan het eerst volgt, met een dubbele tijns zal kunnen of moeten verwerven.
Si etiam is qui bona ipsa pro tempore habuerit ea vendere voluerit, ea nobis ante venditionem huiusmodi? exhibebit.
Als echter degene die dezelfde goederen op zekere tijd zal bezitten, ze zou willen verkopen, zal hij ze ons vóór de verkoop aanbieden. (huiusmodi is niet vertaald, waarschijnlijk verkeerd door mij gelezen)
Quod si non fecerit, ipsa bona cum omnibus suis attinentiis eoipso nobis et ecclesie nostre cedent
Als hij dit niet zal doen, zullen dezelfde goederen met al hun toebehoren daardoor aan ons en onze kerk toevallen,
et sunt? ad nos et ad nostram ecclesiam omnimodo devoluta
en zijn? aan ons en aan onze kerk in elk opzicht overgegaan,
nec ea poterit extunc acquirere aut quomodolibet adipisci.
en hij zal hen (c.q. de goederen) vanaf dan niet kunnen verwerven of hoe dan ook verkrijgen.
In quorum omnium testimonium et perpetuam rei geste memoriam sigillum ecclesie nostre [presentibus] est appensum.
Als getuigenis van al deze zaken en als voortdurende herinnering aan deze gebeurtenis, is het zegel van onze kerk [door de aanwezigen?] aangehangen.
Datum anno Domini millesimo ccc mo tricesimo nono feria sexta post omnium sanctorum.
Gegeven in het jaar des Heren, duizend drie honderd negenendertig, op vrijdag na Allerheiligen.