Op huyden den 29en Novembris anno XVIC ende
vierthien compareerde voor mij notario publicq
Henrick Jansz, saeywercker eertijts geweest
zijnde, dienaer mitten swaerde van Loth Huygens-
zoon Gael, schoudt deser stede, ende heeft bij
sijne manne waerheyt in plaetse van ede,
ter requisitie ende instantie van Jan Wallis,
engelsman, hellebardier van den voorsz. offichier,
getuycht ende verclaert warachtich te wesen, dat
hij deposant op dynsdagenavont lestleden,
ten huyse van Louris Alfego jr., mede hellebaar-
dier in de Stinckstege alhier, mit ende beneffens
noch vier andere hellenbardiers van de voorsz. officier,
daervan den requirant mede een was, ende desselffs respect-
tive huysvrouwen, uytgesondert de huysvrouwe
van Abraham Damerey, heeft helpen drincken
een vierenddel kan biers, dat zij met malcander
portie porties gelijc uytgemaect hadden, ende
t'selve hier uytgedroncken zijnde, es de voorsz.
Abraham, mede hellebardier, aldaer uyten huyse
gescheyden, sonder te seggen waer hij ging, doch es
deselve een weynich tijts daernae weder inne-
gecomen zijnde heel ontstelt ende roupende, waer
is mijn geweer, t'selve tot meermaelene repeterende,
sonder te seggen watter hem bejegent was, waer-
nae deselve zijn geweer becomen hebbende
t'selve geweer uyter schede trock, pogende daer-
mede zoe bloot uyten huyse te loopen, t'welck
hij deposant ziende, heeft hij gesocht sulcx te beletten
denzelven tot dien eynde vasthoudende, dan alsoe
deselve Abraham seyde, laet mij gaen, heeft hij
deposant deselve laten gaen, ende es alsdan
deselve Abraham met het bloote geweer in de
hant uyten huyse gelopen, verclaert vorder /
hij deposant dat hij verstont daernae zich mede
uyten huyse opte straet begeven heeft, ende heeft
hij deposant alsdoen gesien dat deselve Abra-
ham met zijn gebloot geweer, wesende een hougeweer
zeer heftich ende geweldich nae de man van Meyns,
de couckvercoopster in de Sonneveltstege, houwende
ende slaende was, verclaert vorder hij deposant dat
hij alsdoen noch zeecker ander manspersoon, hem onbekent,
wesende, de compagnon ende cammeraedt van de voorsz. Meynssenman
in de stoupen van Daniel Lebleu vast hiel, vougende
middelertijt tegen de voorsz. Abraham, houttet toch zo
niet, sonder dat hij deposant gesien heeft dat deselve
persoon die hij vast hielt eenich geweer hebbende was.
verclaert verder hij deposant zeer wel te weeten ende
oock gesien te hebben, datter noch een persoon was die
een steeckgeweer was hebbende, sonder nochtans te
weeten wie dat geweest es, mer weet hij deposant
zeer wel datter niet meer dan twee geweeren
bloot uyt waeren, te weeten de voorsz. Abraham
met zijn hougeweer ende den ander persoon met zijn
steeckgeweer, eyntelijcken verclaert hij deposant
niet te weeten, noch gesien te hebben, dat den requirant ten voorsz. tijde bij de
moeyte geweest es, veel min dat hij ye-
mant van de voorsz. personen gehouwen, gesteecken
soude hebben, wijders niet verclarende, presenterende
hij deposant t'gunt voorsz. staet des noot ende versocht zijnde
voor alle heeren ende rechteren met solempnelen ede
naerder te bevestigen, consenterende ende versochte den requirant hier-
van behoorlijcke acten. Aldus gedaen, verleden ende
gepasseert ten dage, maent ende jaere als boven, ten comptoire
mijns notaris ter presentie van Jan Symonsz caerde...,
hoedevormer ende Maerten Pietersz van Velde, student, medicinae,
beyde innewoonders deser stede, als getuygen geloofwaer-
dich hiertoe beneffens mij notaris geroepen.
X Dit's Henrick Jansz zelfs gestelde merck
Jan Symense Caerde..
A. Paerdtsverts, 1620
Maerten Pieterssen van Velden