Hartelijk dank voor alle reacties tot nu toe.
Ik ben bij mijn onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis nog tegen een andere levering van stro aangelopen. In 1651 werd de boerderij met omliggende landerijen (het in de 19e eeuw genoemde Woelwijk, nu liggend aan de Woelwijklaan 11 in Voorschoten) geveild in Leiden.
Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken, Oud Notarieel Archief Leiden, Inv. Nr. 405, akte 51, dd. 25-02-1651.
Bij deze veiling werd gemeld dat de verkoper Willem Willemsz van Rijn een pachtcontract heeft van het Sint Elisabeth Gasthuis in Leiden voor de pacht van twee percelen land ( één perceel weiland en één perceel teelland) aan de westkant van de landerijen van Woelwijk en dat de mogelijkheid geboden werd aan de koper om dit pachtcontract over te nemen mits het Sint Elisabeth Gasthuis daarmee instemde ("Ende, alsoo den vercoper is geconsenteert of toegeseijt dat hij dese huijr mag overdoen, Soo sal den coper van dese geveijlt werdende woninge ende landen (soot hem belieft ende hij daer mede gedient is) d’selve verhuijrt werdende twee partien van landen mogen overnemen ende aenstaen").
De vereisten van dit pachtcontract waren: "Eijntelic met voordeel, nedemael den vercoper heeft in huijre van het genomde St. Elisabeths Gasthuijs een partie weijlants groot weijnich minder als vierdalf morgen mitsgaders een partie teellants groot achtalf hont, beijde leggende suijtwestwaerts annex of bij dese woninge ende landen voor den tijt van twee aenstaende lopende jaren, die eijndigen sullen den eersten Januarij XVI C drieenvijftich, elck jaer om drieentnegentich Caroli guldens, t stuc ten prijse voorschreeven, seventien stuvers ende acht penningen, mitsgaders daerenboven telcken jare aen ’t selve gasthuijs te leveren twintich gruijen stroo".
De jaarlijkse levering van "twintich gruijen stroo" was onderdeel van het pachtcontract. Ook hier kan de vraag gesteld worden waarvoor het stro gebruikt zou worden. De betekenis van "gruij" is kennelijk de aanduiding van een hoeveelheid stro.
Het overdragen van het pachtcontract ging niet gratis. De verkoper bedingt: "misgaders daerenboven aen de vercoper gereet betalende noch een somme van hondert Caroli guldens te IV groten tstuc, ten regarde den vercoper t voorschreeven teellant wel ende na behoren gemest gespit ende met rogge besaeijt ende sulx voor of in vergoedinge vanden selven arbeijt ende costen."
Het stro zou goed afkomstig kunnen zijn van de rogge op het perceel teelland.