Als de vraag is wat was een gareelmaker dan brengt het Middelnederlandsch Woordenboek wellicht verheldering:
GOREEL
Woordsoort: znw(o.)
Varianten: gorreel
Modern lemma: gareel
(gorreel), znw. o. Van ofra. gorel; mlat. gorellus. Gareel (greel), halsjuk voor dieren. Nog heden in Zuid-Nederland goreel geheeten (De Bo 339: gareel, goreel). Zie Ndl. Wdb. op gareel. Harl. Gloss. epifium (l. efippium). Hor. Belg. 72, 36 gorele, epyphia (ephippia). Kil. gorreel.
+↪Gareel (greel), halsjuk voor dieren.
= Samenst. Goreelbalch, het kussen van een gareel; WVlaamsch goreelbalg, gareelbalg (De Bo 339; vgl. ald. 76 op balg); goreelclippel (-cluppel), elk van de twee platte stukken hout, waarop de kussens liggen van een gareel (De Bo 541 op knibbel, knippel, knuppel, klippel); goreelmaker, maker van gareelen (De Bo 339: gareelmaker), Rek. v. Brugge v. 1302, 130; Invent. v. Br. 4, 101 (G. den goreelmakere, van XVIII niewe goreele).