Hallo Bas,
ook bij mij is een van mijn grootvaders betrokken geweest bij de tiendaagse veldtocht.
Het betreft Pieter van der Burg.
Hier een korte beschrijving van hemzelf:
Dat leven kon slechts anderhalf jaar aanhouden, daar hij op het laatst
van 1829 en dus op ruim 21 jarigen leeftijd op nieuw onder de wapenen werd
geroepen, doordien de woelingen in België een zeer gevaarlijk karakter
verkregen. Hij werd bij de 17 Afd., de eenige die met het Hollandsche vaandel
uit België en wel uit Gend naar de Noordelijke provinciën terugkeerde,
ingedeeld. Hij kwam vooreerst te Amsterdam in de kazerne, trok al spoedig naars
Sas van Gend, daarna van het westen naar het oosten naar geheel Noord Braband,
om de kantonnementen Eindhoven en Asten en Someren op de Belg. grenzen te
betrekken. Vandaar maakte hij den 10 daag-schen veldtocht mede en hielp het
leger van den Generaal Daine tusschen Hasselt en Luik op de vlucht drijven. Van
zijn krijgsbedrijven en de ongemakken aan den veldtocht verbonden wordt geen
gewag gemaakt. Hij keerde bij den wapenstilstand weder aan de grenzen terug en
bleef zich drie jaar lang, dan hier dan daar, langs de zuidelijke grens van
Noord Braband bewegen. Hij genoot gedurende dien tijd zeer veel onderscheiding,
verrichte administratief werk en daar de kolonel hem als een fatsoenlijk jong
mensch niet durfde beloonen, wat den jongenheer toch hoogst aangenaam zoude
geweest hebben, werd hij toch eens door dien hoofdofficier aardig verrast. In
die tijd van gewapende vrede trokken de voornaamste heeren kleêrmakers langs de
grenzen, om de officieren, zo zij dat verlangden nieuwe pakken aan te meten.
Zoo?n heer nu treedt de met steenen bevloerden kamer binnen en zegt aan den
armen jonge heer dat hij deze op last van den kolonel een fijne militaire
uniform moest aanmeten. Wat was hij in zijn schik, maar de kans van fooijen te
krijgen werd er helaas nog minder door. Nog een episode uit dat kantonnements
leven moge de militaire loop besluiten. De soldaat in fijn tenue had een
liefhebberij komedie weten tot stand te brengen. Hij maakte daar een
toneelstukje voor dat in den aschschuur* ? die later als door den duivel
bewoond op last van den pastoor werd afgebroken ? zou worden opgevoerd. De
generaal Meijer te Eindhoven werd als gast gevraagd. Na den afloop neemt zijne
Exellentie den steller en medespeler onder den arm, en dit was ook reeds
dikwijls door andere hoofdofficieren geschied, om voor zes jaar zich aan het leger
te verbinden, hij zou zorgen dat de komediant binnen anderhalf jaar officier
werd. De arme vent had zich laten bepraten, binnen een paar dagen, gelukkig nog
voor hij zich had verbonden sieren hem, om te beginnen, de korporaalsstrepen,
waardoor hij dus tot het kader behoorde en (helaas) acht dagen na die
bevordering verschijnt er van het departement van oorlog een besluit, dat de
miliciens van de lichting 1827 met groot verlof naar huis kunnen gezonden
worden, behalve die, welke tot het kader behoorden. Daar stond nu de korporaal.
Het was of hij door den bliksem werd getroffen. Wanhopig smeekte hij om
gedegradeerd te worden. De kolonel bespotte hem en gaf eindelijk toe. De
vernedering op verzoek staat nog op het livret des korporaals uitgedrukt. Hij
snelde met het metalen kruis op de borst, naar Zuid Holland.
Pieter werd later onderwijzer in Nijmegen en werd daar secretaris van de vereeniging van het metalen kruis afdeling Nijmegen.
Fred
sorry voor de rare tekens en boodschappen aan het begin over de opmaak.