In de stamboom van mijn echtgenote komt een ongehuwde moeder voor.
Zij had 2 "voorkinderen", zonen geboren in 1818 en 1820, vòòr haar huwelijk in 1825.
In de familie ging het gerucht dat de natuurlijke vader een "kasteelheer" of "hoge notabele" was... want de oudste zoon zou een "hoge functie" van die kasteelheer/notabele gekregen hebben.
Feit is dat de oudste zoon (voorkind) in 1848 verhuist van Diepenbeek naar een woning (in een ander dorp: Rapertingen); die "vlakbij" een kasteel (inc. landgoed en jachtterrein) ligt.
Bij diens huwelijk en de geboorte van zijn eerste 2 kinderen in Diepenbeek wordt "handwerker" als beroep opgegeven.
Bij de geboorte van zijn derde kind in Rapertingen (Hasselt) geeft hij "privaten jager" op als beroep, net zoals bij de 4 volgende kinderen.
In een bevolkingsregister wordt "chasseur" vermeld...
Kastelen met bijhorende landgoed en inclusief jachtterrein waren in die tijd in Haspengouw natuurlijk veel voorkomend... dus je woonde al snel in de nabijheid van een kasteel.
Afgezien van het mooie verhaal, vroeg ik me wel af wat de betekenis van "privaten jager" in die tijd was... Ik zie een eenvoudige handwerker in die tijd geen jager in de huidige betekenis worden.
Was "privaten jager" een soort boswachter of jachtopziener?