Ik krijg in mijn omgeving steeds meer bijval voor mijn suggesties om het woordje ‘bij’ te gebruiken voor aangetrouwde familieleden.
Schoonzuster wordt bijzuster
De Nederlandse taal spreekt over schoonzus, schoonvader en schoonzoon als we de ‘kouwe kant’ bedoelen. Voor andere semi-familieleden hanteren we de benaming ‘aangetrouwd’, als in aangetrouwde neef, aangetrouwde oom en aangetrouwde grootmoeder. Maar als die neef nu niet is getrouwd? Is het dan toch een aangetrouwde neef of moet je praten over een samenwonende neef, of geregistreerde partnerschapsneef?
Het wordt dus tijd dat we de universele benaming ‘bij’ gaan hanteren voor al die ‘pseudo’-familieleden die gezamenlijk de ‘kouwe kant’ vormen. Dus de vrouw of vriendin van je broer heet voortaan bijzus, de man of vriend van je zus je bijbroer, de moeder van je man je bijmoeder, en zo verder. Dus, allemaal op een rij:
| Zo was het: | En dit moet het worden: |
| Schoonmoeder/schoonvader | Bijmoeder/bijvader |
| Schoondochter-schoonzoon | Bijdochter/bijzoon |
| Schoonzuster/schoonbroer (zwager) | Bijzuster/bijbroer |
| (Aangetrouwde) neef/-nicht | Bijneef/bijnicht |
| (Aangetrouwde) oom/-tante | Bijoom/bijtante |
| (Aangetrouwde) oma/-opa | Bijoma/bijopa |
| | |
We denken ook nog na over andere benamingen voor ‘volle’ neven en nichten en de kinderen van je broer of zus die we soms ‘oomzeggertjes’ of tantezeggertjes’ noemen, of neefje/nichtje, maar wat als ze groter worden?