Het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) geeft wel 10 betekenissen:
1. Ruiter, cavalerist. Sinds lang veroud.
2. Hij die een reis (in de bet. 2) maakt; hij die reist (in de bet. 2).
betr. t. den gang door het leven. Verg. REIS (I), 6) en REIZEN, 4).
(Barg.) Woonwagenbewoner.
BOLHUIS, Gabbert. 143 [1937].
”Wij laten elkaar niet in de steek, zoals de burgers” werd ons enige malen door Reizigers verzekerd, bij WERNINK, Woonwagenbewoners 100 [1959].
betr. t. den tweeden Wereldoorlog soms voor: vluchteling.
3. Hij die vreemde landen bereist. Verg. REIZEN, 7).
In jongere taal vaak zooveel als: toerist.
Hij die vreemde, tot dusver niet of weinig bezochte landen bereist om deze in kaart te brengen en gegevens te verzamelen, ontdekkingsreiziger.
4. M. betr. t. vogels: trekvogel. Verg. REIZEN, 10) en REIZER, 9).
5. Passagier; inzittende van een (inz. openbaar) vervoermiddel.
a. M. betr. t. vervoer te water en door de lucht.
Als wettelijke term.
Blinde reiziger, verstekeling.
b. M. betr. t. vervoer te land. In N.-Nederl. thans vrijwel uitsluitend m. betr. t. het vervoer per trein.
Als vakterm bij de spoorwegen.
6. Vreemdeling. Veroud.
7. Voorbijganger. Verg. REIZEN, 10) en REIZER, 6). Ongewoon.
8. Ben. van zekere garenspoel die men bij het kantklossen voortdurend met de hand verplaatst.
9. Gast, inz. in een hotel of logement; logeergast.
10. Hij die in dienst van en namens een ander cliënten bezoekt om opdrachten te verwerven, contracten af te sluiten en derg.; handelsreiziger. Verg. REIZER, 3), 2de al.