Ik heb het onderstaande wel gevonden.
"[...] patrilineaire vererving van de geslachtsnaam [is] nog niet eens zo lang [...] ingeburgerd en is ingevoerd in de Franse tijd. Voordien was er hier op dit punt sprake van volstrekte vrijheid. Een kind kon de 'toenaam' van de vader, van de moeder of van beiden krijgen. Ouders gaven het kind als laatste voornaam ook wel de familienaam van de moeder."
https://www.trouw.nl/nieuws/keuze-ouders-van-achternaam-kind-doet-beider-verantwoordelijkheid-recht~b5a198ea/
"Tot diep in de vijftiende eeuw is er in de erfelijkheid van de familienamen nog niet de minste regelmaat te bespeuren. Herhaaldelijk noemen de zoons van eenzelfde vader zich met verschillende familienamen, of wel nemen enkelen de familienaam aan, die ook hun vader droeg, terwijl anderen volstaan met het patronimicum. Een sterk voorbeeld daarvan is dat van de vijf zoons van Goeswinus Cnode uit 's-Hertogenbosch (1408), die alle vijf verschillende achternamen voerden: Goeswinus Cnode, Johan Bye, Ghisbertus Bac, Theodoricus Posteel en Laurentius Volkaert. Van de drie zoons van een zekere Luyt uit Amsterdam (2e helft 15e eeuw) noemen de eerste en de tweede, die beiden huidenkoper werden, zich naar hun beroep: Willem Luytsz Huydecoper en Meyndert Luytsz Huydecoper; de derde noemt zich Jacob Luytsz zonder meer. Elk van deze drie broers krijgt een zoon; de namen van deze neven zijn respectievelijk Antonis Willemsz Bontekoe (zeepzieder ‘in de Bonte Koe’ op de Zeedijk, † 1594), Luyt Meyndertsz Huydecoper (korenkoper) en Lucas Jacob Luytszoonsz (houtkoper, 1540-1569). De drie zoons van de Amsterdamse korenkoper Jan Jansz (zoon van Jan Pledtser) noemen zich Willem Jansz Brouwer († 1566), Jan Jansz Pledtser († 1567) en Dirck Jansz Louw († 1561).
Ter aanvulling enkele voorbeelden uit Zieriksee. Willem Simonsz, ambachtsheer van Stavenisse en Cromstrijen (1498-1557), zoon van Simon Maarten Simonsz, heeft tien kinderen, die allen Cromstrien heten, behalve een der zoons, die Cornelis Stavenisse (1529-1575) heet en als zodanig de stamvader wordt van een aanzienlijk Zeeuws regentengeslacht. Een ander invloedrijk Zierikseeënaar, Jan Anthonisse (1520-1588), lakenkoper, had negen kinderen, waaronder drie zoons, die ieder de stamvader werden van een invloedrijke Zeeuwse familie. Zijn zoon Jan Anthonisse de Jonge (1546-1617), aanvankelijk Jonge Jan Jan Anthonisse genoemd, was de eerste drager van de familienaam de Jonge en grondvestte het geslacht, waaruit vele staatslieden zijn voortgekomen. Een jongere broer Mr. Hubrecht Jan Anthonisse (1565-1618) komt sinds het einde der eeuw voor als Hubrecht Janszoon geseit Steengracht en wordt de stamvader van het eveneens bekende regentengeslacht Steengracht.
Nog in de achttiende eeuw vinden we een geval vermeld van een Doopsgezind vermaner Willem Jansz Schoen uit Wormerveer, wiens drie zoons respectievelijk onder de namen Melis Willemsz Lakeman, Dirck Willemsz Breeuwer en Jan Willemsz Blauw werden gedoopt.
Soms noemt een zoon zich zowel naar zijn vader als naar zijn moeder; zo Simon Abbe Jan Pontenz (1467-1550?) uit Amsterdam, zoon van Jan Pont en N. Simonsdr Abbe. De oudste zoon van Simon noemt zich Jan Pont († 1542), de tweede zoon Ysbrant Simonsz Abbe († 1559), de derde Marten Simonsz Abbe, genaamd Schuyt. Hier zien we dus het geval dat de oudste zoon zich naar zijn vader, de tweede naar zijn moeder en de derde zich eveneens naar zijn moeder noemt, maar tegelijk een nieuwe familienaam aanneemt.
Dat kinderen zich naar de moeder noemen komt herhaaldelijk voor, vooral wanneer de familie van de moeder voornamer was dan die van de vader of - men kan ook zeggen: en dientengevolge - in tegenstelling tot de familie van de vader al een geslachtsnaam bezat. Zo trouwde een dochter van de zojuist genoemde jonge Jan Pont, Trijn Jansz Pont (geb. 1525) met Pieter Claesz. Een uit dit huwelijk geboren zoon noemt zich Jan Pietersz Pont († 1601). De Amsterdamse vroedvrouw Oetgenmoer (moer = vroedvrouw) (± 1420-1486), de stammoeder van het bekende regeringsgeslacht Oetgens had een dochter Oetgen Oetgens, die met Claes Jacobsz trouwde. De zoon uit dit huwelijk noemde zich Frans Claesz Oetgens (± 1490-± 1550). Van de kinderen van Mr. Gerrit Boel (± 1485-1562), secretaris van Amsterdam, noemen de eerste en de derde zoon zich naar hun moeder Persijn, de tweede, die eveneens secretaris van Amsterdam is geweest, noemt zich evenwel Boel. De naam van de Amsterdamse regentenfamilie Boelens heeft zich niet voortgezet door de oudste zoon van de stamvader, maar door diens dochter Lijsbeth. Alhoewel deze met een Amsterdams burgemeester, Cornelis Hendricksz Loen was getrouwd, namen haar kinderen toch de naam van hun moeder aan. In bepaalde families schijnt het zelfs een traditie te zijn dat de kinderen zich steeds weer naar de moeder noemen. Zo heten die van de Amsterdamse chirurgijn Pieter Thijsz (midden 16e eeuw) evenals hun moeder Schrijver. Een van deze kinderen, Thijs Pietersz Schrijver (geb. 1548) heeft een zoon Philip Thijsz, die zich naar zijn moeder Philip Thijsz de Bisschop noemt. Een andere zoon, Hendrick Pietersz Schrijver, heeft een zoon Jan Hendricksz, die zich naar zijn moeder Jan Hendricksz Soop noemt. Men vindt in Elias' Vroedschap van Amsterdam, waaraan deze voorbeelden ontleend zijn, tal van soortgelijke en dikwijls onverklaarbare gevallen vermeld. Ter aanvulling nog enkele voorbeelden uit Zieriksee. Hier noemde de oudste zoon uit het huwelijk van Cornelis Willemse de Keijser (1550-1623) en Neeltje Cornelis Huigense Mulock zich Willem de Keijser, een jongere zoon echter Cornelis Mulock. Beiden werden de stamvader van een regentenfamilie, die oorspronkelijk ook eenzelfde wapen voerden, tot in de achttiende eeuw de Mulocks een nieuw wapen aannamen. Uit het huwelijk van een ander Zierikseesch patriciër, Joris Pieterse (geb. ± 1555) met Maria van Rijswijk noemden alle elf kinderen zich naar de moeder, klaarblijkelijk omdat de vader nog geen familienaam had.
Ook komt het voor dat kinderen zich naar de grootmoeder noemen. Zo werden uit het huwelijk van de Amsterdamse schepen Pieter Bicker (zoon van Meeus Doos Dircksz en Aef, dochter van Jan Bout) en Ael Duynen (dochter van Albert de Veer en N. Duyn) vier dochters en drie zoons geboren. Alle vier de dochters heten Bicker, maar de zoons noemen zich respectievelijk Mr. Albert de Veer (geb. 1462) (dus naar zijn grootvader van moederszijde), Willem Duyn (± 1470-1522) (naar zijn moeder) en Jan Bout (1476-1516) (naar zijn grootmoeder van vaderszijde, eigenlijk naar zijn overgrootvader van vaderszijde). Ook hiervan vinden we een voorbeeld in Zieriksee, en wel uit het midden van de zeventiende eeuw. Uit het in 1647 gesloten huwelijk van Cornelis 't Gasthuys (zoon van Adriaan Jacobse 't Gasthuys en Jacomina Boeye) met Maria de Groote noemen de oudste twee kinderen zich 't Gasthuys, maar de jongste drie naar hun grootmoeder Boeye, onder welke naam trouwens ook een van de oudste dochters bij haar huwelijk optreedt. Ook hier heeft het aanzien van de familie Boeye stellig een rol gespeeld bij de naamgeving. In een Amsterdams regentengeslacht vinden we een IJsbrant Albrechtsz, zoon van Albert Cornelisz Brouwer († 1575), die zich zelfs naar een half-oom, IJsbrant Jansz Ben, eveneens IJsbrant Albrechtsz Ben noemde. Duidelijk blijkt uit deze voorbeelden, hoe weinig men in de zestiende eeuw nog in de familienaam het uiterlijke symbool voelde van een familie-eenheid, waarop men zich maar al te zeer liet voorstaan zodra het financiële aangelegenheden betrof.
In 1600 droeg nog maar 14% van de Amsterdamse bruidegoms een familienaam - van de Amsterdamse bruidegoms van Zuidnederlandse afkomst daarentegen 80%. Duidelijk blijkt uit deze cijfers, hoeveel vertrouwder de Vlamingen en Brabanders met het instituut van de geslachtsnaam waren dan de bewoners van de Noordelijke Nederlanden. Eerst in de loop van de zeventiende eeuw werd de gewoonte om vaste, erfelijke familienamen aan te nemen in Amsterdam en de andere steden van Holland en Zeeland algemeen gebruikelijk."
https://www.dbnl.org/tekst/meer035bete01_01/meer035bete01_01_0002.php