Geachte mevrouw Kuster,
De term "doop onder voorwaarde" oftewel "voorwaardelijke doop" is eigenlijk geen goede; het zou beter zijn als er een uitdrukking zou bestaan in de trant van "doop voor alle zekerheid".
Aan deze doop zèlf is namelijk niets voorwaardelijks, maar deze doop wordt uitgevoerd omdat er weliswaar een eerdere doop heeft plaatsgevonden, maar het niet onbetwist en absoluut zeker is dat dit een doop is geweest die volkomen aan de normen van de kerk voldoet - dus bijvoorbeeld een doop verricht door een ander kerkgenootschap, met andere regels en rituelen - en het dus voor de kerk juridisch weleens zo kan zijn (kerkrechtelijk) dat er op dat moment géén doop bestaat.
Voor de betrokken ouders en peetouders voelt het dan misschien als "dubbel werk" of overbodig, of zelfs als een gebrek aan respect voor die ouders of de andere kerk; maar ja, in het perspectief van déze kerk (die de "voorwaardelijke doop" verricht) moet men nu eenmaal, wil men deel uitmaken van de gemeenschap van déze kerk, voldoen aan de regels van déze kerk die maken dat men van een geldige doop kan spreken.
Als u de zoekmachine www.Google.nl aan het werk zet met de trefwoorden "voorwaardelijke doop" in het zoekvenster, krijg u deze pagina met zoekresultaten (klik op het adres):
http://www.google.nl/#hl=nl&q=%22voorwaardelijke+doop%22&start=10&sa=N&fp=9a67849a3a440fae
U vindt dan bijvoorbeeld deze uitleg:
"Een voorwaardelijke doop werd uitgevoerd als degene die doopte niet zeker was of de ouders van de dopeling wel tot zijn kerk behoorden".
Maar dit is maar één situatie; er kan dus van alles aan de hand zijn.
Idem dito, bij het zoeken met "doop onder voorwaarde":
http://www.google.nl/#hl=nl&q=%22doop+onder+voorwaarde%22&meta=&fp=9a67849a3a440fae
Voorbeeld van gevonden uitleg:
http://www.rorate.com/kerkrecht/kr_show.php?id=152
"De doop is naar zijn aard eenmalig en onuitwisbaar.
De eenmaligheid betekent dus dat ieder mens maar één keer in haar of
zijn leven gedoopt kan worden (zie c. 864). Zodoende erkent de
rooms-katholieke kerk ook andere christelijke dopen, zolang deze met
echt water en via de gebruikelijke vorm geschied is.
Feitelijk betekent dit dat de Rooms-katholieke Kerk zonder meer de doop
van de gescheiden Oosterse Kerken, Anglicaanse Kerk, Oud-katholieke
Kerk, de grote protestantse kerken, de baptisten, de Methodisten, de
Mennonieten, de hernhutters en de Zevendags-adventisten erkent. Hierbij
wordt verondersteld dat de bedienaar zich gehouden heeft aan de
voorgeschreven ritus van zijn eigen Kerkgenootschap. De doop volgens de
Nieuwe-apostolische Kerk en van de Mormonen is omstreden. De doop van
de Jehova´s wordt niet als een christelijke doop erkent en het Leger
des Heils en de Kwakers kennen geen doop. [Zie Münsterischer Kommentar, 23e levering, oktober 1994, c. 869/2, nrs. 4-5]
In het geval, dat het onzeker is of de persoon gedoopt is, of dat
twijfels bestaand aan de geldigheid van de doop, is het mogelijk dat
desbetreffende onder voorwaarde gedoopt wordt. Deze twijfel speelt
meestal enkel bij volwassenen. In deze gevallen vindt een ernstig
onderzoek plaats (zie c. 869 § 1). Indien later zou blijken dat de
persoon toch geldig gedoopt was (is) vervalt de doop onder voorwaarde.
Het uiteindelijke resultaat is hetzelfde: de persoon is (en blijft)
gedoopt.
Kortom, een christen-gelovige die tot de rooms-katholieke kerk wil
toetreden wordt niet overgedoopt, maar ontvangt slechts het vormsel als
teken van toetreding."
Met vriendelijke groet,
Dimitri Vlas