Annemarie, zoals je het uitlegt lees ik het ook. Misschien nog ter verduideliking: het ging blijkbaar om een naasting. Dat was het recht dat familieleden van een verkoper hadden om binnen een jaar na verkoop van gronden, het betreffende stuk land te naasten. Moesten ze natuurlijk wel kunnen aantonen dat ze "voldoende" verwant waren, en de koopppenningen opbrengen. In dit geval ging het kennelijk om twee naasters, die beide in gelijke graad verwant zijn aan de verkoper. Dus kwam het grecht er aan te pas.
Dan ging het inderdaad om jurisprudentie waarvan Dirck Jacobsz Stolck vanaf wist, maar de betreffende sententie kon door de Hoge Raad niet worden overgelegd. Misschien omdat Dirck toen in Brabant woonde, en de zaak niet voor de Hoge Raad van Holland gediend heeft (en dus ook niet voor het het Hof van Holland geweest is). Of de betrokken naasting in Holland of Brabant heeft plaatsgevonden, lezen we er niet uit.
Er is nog wel wat anders te vinden: Dirck Jacobsz verklaart dat die eerdere naasting in 1599 is geweest. Als het hier ook ging om twee naasters, waren dat, zo lees ik het, Dirck Jacobsz en Jacob Mathijsz, die kennelijk gelijk in maagschap waren. De verkoper wordt niet genoemd, maar wel dat Frans Dircksz diens oom was, en dat de vader van Dirck Jacobsz de oudoom was van de verkoper. Leuk puzzeltje.
Tot slot: ik ben het met je eens dat de opposanten in Kethel verder niks met Dirck Jacobsz te maken hadden. Misschien kenden ze hem, dat is alles. De naastingen geven geen enkele indicatie van het beroep van Dirck Jacobsz.
groeten, Frans