Op 15 juli 1818 verscheen voor de Schout van de gemeente Wisch een zekere Theodora van den Broeke, huisvrouw van Johannes Janssen, leijendekker, woonachtig te Kampen. Zij verklaarde dat haar zoon Jan, [geb. Kampen ca. mei/juli 1816?] op 28 april 1818 was ontvreemd en dat ze op 8 juli 1818 van een Joodse koopman uit Groenlo had gehoord dat er in de regio Varsseveld een vondeling was aangetroffen. In het procesverbaal als volgt omschreven:
“Dat aan haar op den 28 april deses jaars ontstolen was een kind, zijnde van het mannelijke geslagt, oud 22 maanden, en te Kampen in de registers van den Burgerlijken Stand ingeschreeven onder den naam van Jan, en gekleed zijnde met een bruin gebreide jurk, een paar blaauwe kousjes, een paar schoenen met riemtjes, een katoene hembdjen, een blaauw bont katoene borstrokje; hebbende aan de linkerzijde van het hoofd een teken door branden veroorzaakt en aan de linkerhand een kromme vinger. Dat zij na veel aangewende moeite dit kind nergens hadde kunnen on[t]dekken.
Dat op den 8sten dezer bij haar gekomen was een koopman, zijnde van den Israelitischen Godsdienst, woonachtig te Groenlo, die – aangezien zij zedert de vermissing van haar kind altijd treurig was - haar na de oorzaak daarvan vroeg, waarop zij aan hem het geval, zoals zulks had plaatsgehad, verhaalde. Welke haar daarop antwoorde dat er in zijne buurt onder Varsseveld een kind gevonden en aldaar besteed was; haar tevens de reisroute opgevende.”
Uit een procesverbaal van de Schout van de gemeente Wisch blijkt dat er inderdaad in de ochtend van 18 mei 1818 in de buurschap Westendorp onder Varsseveld een vondeling was aangetroffen, die daar de vorige avond was achtergelaten:
“Den 18en van de maand meij 1818, wij, Jan Hendrik Pliester, schout van de gemeente Wisch, onderrigt geworden zijnde dat er aan het goed Vriese of Groot Boesveld in de buurschap Westendorp onder Varsseveld een kind te vondeling was gelegd, zijn wij, terwijl wij gereed stonden ons derwaards te begeeven om oculaire inspectie te neemen, daarin voorgekomen door Wessel Vriesen, landbouwer op het voorgemelde goed wonende, Jan Rietstap, landbouwer op de bouwplaats Schildering in de buurschap Westendorp wonende, en Enneken Vreeman, dienstmaagd mede bij Wessel Vriesen woonachtig, dewelke dit kind aan ons hebben vertoond, zijnde een jongetje, naar gissing ruim een jaar oud, gekleed met een bruin gebreid wambuisje, een blaauw bont catoene lang borstrokje en hemdje, blauwe wolle kousjes en schoenen gebonden met riemtjes, en daarbij een oude roije baaije luna, op ’t hoofd een blaauw bont mutsje.
Enneken Vreeman verklaarde voorts, dat zij desen morgen omstreeks ses uuren was gekomen in de schuur, om het vhee voeder en hooij te geven dat midden op de deel had gelegen, zij daarbij komende het kind had vinden liggen in het hooij slapende, met de handjes boven ’t hoofd, dat zij daarop in huijs was gelopen en den boer Wessel Vriesen daarvan kennis gegeven.
Wessel Vriesen verklaard dat hij op ’t gezegde van de meid Enneken Vreeman was naar de schuure gegaan en ’t kind wakker gevonden, liggende te schreijen; dat hij daarop in huijs was gegaan en toen had ontmoet voorgemelde Jan Rietstap met wien hij was afgesproken om naar Doetinchem te gaan en aldaar geld te haalen voor afgeleverde houtskolen; dat zij daarop ver[..] van de knegts en andere arbeiders waren in de schuur gegaan, het kind hadden vinden zittende in het hooij, hetzelve alstoen hadden in huijs genomen en van eeten en drinken voorzien.
Wessel Vriesen verklaard verder, dat dien dag tevooren, zijnde zondagavond, na best onthoud ses uuren, een onbekend manspersoon aan zijn huijs was gekomen met datzelve kind op den arm, vragende om een stuk eeten, hetwelk hem gegeven was; daarbij verhalende dat zijn vrouw dood was; en dat die man daarop met het kind weder was vertrokken, zonder dat zij gezien hadden werwaards; dat hij niet konde zeggen welke klederen denzelven aan had, vermenende een blaauw buijs en grijse broek, sprekende de alhier gewoone landtaal. Verder konde hij, nog de meid, daarvan niets meer opgeven.”
De Schout kon nu de door Theodora aangegeven vermissing koppelen met de vondeling uit Westendorp, die inmiddels was toevertrouwd aan de zorgen van de vrouw van een zekere Jan Duitshoff:
“Dit voorafgegaan zijnde, hebben wij, Schout voornoemd, het bij ons procesverbaal van den 18e mei l.l. gedesigneerde kind door de vrouw van Jan Duitshoff, bij dewelke hetzelve in kost is besteed, in tegenwoordigheid van opgemelde Theodora van den Broeke, laten voor ons brengen en is ons al dadelijk gebleeken dat het gemelde kind de opgegevene bijzondere tekens aan zich had. Ook dat dit kind in onze tegenwoordigheid gemelde Theodora van den Broek voor zijne moeder en deze hetzelve voor haar kind herkende.
Waarop wij hetzelve aan gemelde Theodora van den Broeke afgegeven en daarvan dit procesverbaal hebben opgemaakt en getekend, ten dage, maand en jaar als boven. [w.g.] J.H. Pliester.”
Bovenstaande processenverbaal bevinden zich merkwaardigerwijs in dossier nr. 1 van de huwelijksbijlagen Wisch 1818 (deze betreffen overigens het huwelijk van Engelbart Smits x Antonia ten Have).
Nieuwsgierig geworden naar dit voorval heb ik gezocht naar de veronderstelde geboorte-akte van Jan te Kampen. Helaas zonder succes: er blijken in 1816 weliswaar kinderen met naam Jan te zijn aangeven, echter allen van andere dan de door Theodora opgegeven ouders.
Heeft Theodora misbruik gemaakt van het verhaal van de koopman of is zoon Jan toch elders geboren (of heb ik ergens overheen gekeken)? Kortom, wie weet de oplossing?