Trouwgeld (en ook begraafgeld) is een belasting (genaamd impost) die werd betaald aan het rijk, dus niet aan de kerk. Deze belasting werd geïnd door een zogenaamde gaarder, en werd bijgehouden in gaardersboeken.
De vele oorlogen in de zeventiende eeuw hadden de Republiek der Verenigde Nederlanden veel geld gekost. Daarom heeft de Staten van Holland op 15 november 1695 een voorstel gedaan om een impost = heffing in te stellen op het trouwen en begraven. Het voorstel werd aangenomen in een nieuwe wet. Er waren vijf klassen namelijk
Hfl. 30,-, Hfl 15,- Hfl 6,- Hfl 3,- en 'pro deo'.
[* Hfl. Is in Hollandse guldens.]
1 ste klasse:
Hfl 30,-: Baljuwen, schouten, burgemeesters, schepenen, raden, thesauriers, pensionarissen en secretarissen van de steden in Holland en Westfriesland. Ook de baljuwen, drosten en dijkgraven van de hoogheemraadschappen vielen onder dit tarief. Vervolgens al degenen die bepaalde ambten bekleden waaraan een jaarlijks inkomen was verbonden van Hfl 800,- of hoger en diegenen die een vermogen bezaten van Hfl 12.000,- of meer.
2de klasse:
Hfl 15,-: Personen die een jaarsalaris verdienden van tussen de Hfl 400,- tot Hfl 800,- en degenen die zonder speciaal ambt te bekleden behoorden tot de bezitsklasse met een eigen vermogen van Hfl 6.000,- tot Hfl 12.000,-.
3de klasse:
Hfl 6,-: Personen die jaarlijks een inkomen hadden van Hfl 200,- tot Hfl 400,- of behoorden tot een bezitsklasse met een eigen vermogen van Hfl 2.000,- tot Hfl 6.000,-.
4de klasse:
Hfl 3,-: Personen die minder dan Hfl 200,- per jaar verdienden of behoorden tot een bezitsklasse met een eigen vermogen van minder dan Hfl 2.000,-.
5de klasse:
Pro Deo: voor onvermogenden.
Ik weet niet waarom je voorouder die van een arme familie afkomstig was, impost trouwen moest betalen.
Trouwen voor de kerk was, voor zover ik weet, altijd pro deo.