Ien refereert waarschijnlijk aan Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Dat is een set regels van vandaag de dag. Het klopt dat er sinds 1811 regels zijn voor de administratie van burgerlijke stand.
Als ik 'vroeger' zeg, bedoel ik eigenlijk de periode vóór 1795. Toen was alles heel anders geregeld. Ook de naamgeving was een heel andere dan die van tegenwoordig.
De administratie van persoonsgegevens, als het ging om dopen, trouwen en begraven, was voor een goed deel in handen van de kerken. De overheid had een kleiner aandeel en dat had doorgaans te maken met belastingen.
Voor geboorten was geen belasting verschuldigd en die werd dan ook vaak niet genoteerd. We weten dan ook pas van iemands bestaan vanaf het moment van zijn of haar doop. Soms wordt iemands geboorte vermeld in een familiebijbel.
Later kon iemands naam opduiken in poorterboeken, en stukken van notarissen, de rechterlijke macht of stadsrekeningen, maar dan was de naam natuurlijk allang gegeven.
Overigens kon iemand vóór 1795, net zo vaak van naam wisselen als hij of zij maar wilde.
Als een kind geboren, maar nog niet gedoopt was, gaf je het natuurlijk wel een naam. Ook in die tijd was het niet gebruikelijk om maar het steeds "het kind" te zeggen als je "de kleine Kareltje" bedoelde. Die naam werd officieel bij de doop.
Als een kind doodgeboren werd was het een stuk minder zinnig om het een naam te geven. Bovendien werden kinderen nogal eens vernoemd. Vaak naar iemand die bij de doop aanwezig was. Die persoon trad dan voor de rest van het leven op als een soort raadgever en beschermer (peetvader, peetmoeder) van het kind. Niemand vindt het leuk dat er een doodgeboren kindje naar je vernoemd wordt.
Ik ken dan ook geen geval van een doodgeboren kindje dat een naam kreeg.
Het ligt voor de hand dat er later een wet kwam, die de gewoonte een doogeboren kind geen naam te geven, voorgoed vastlegde.