Weduwe Vacquerie en Embyse. Is geaccordeert, dat men noch voor dese reyse aen Joffrouw Anthoinette de Hennin, weduwe van wylen den heere la Vacquerie ende jouffrouw Anna d’Embise sal betalen respective, hondert guldens ende tsestich guldens, gelyck ’t voorleden jaer geschiet is.
Utrecht 25-04-1619
https://archive.org/details/archiefvoorkerk03royagoog/page/n72/mode/2up?q=Joffrouw+Anthoinette 73/425
Vgl. ook https://proxy.archieven.nl/0/EC1C1010FC5B44E9B245186B911E4034
Vgl. nog (de gegevens zijn ongetwijfeld bekend, deze tekst misschien ook):
[...] Naar het algemeen gevoelen bekleedde Stevin den post van Kwartiermeester-generaal bij het Staatsche leger. Misschien zouden wij bij een nader onderzoek kunnen aantoonen, wie hem het eerst tot die waardigheid verhief. Doch tot wat einde hierin zoo veel omgehaald! Genoeg zij het te zeggen, dat de heer van Duyse met ronde woorden verklaart «dat prins Maurits ten oirbaar van Mr. Stevin de waardigheid schiep van Quartiermeester-generaal des legers van den Staat,» daarbij van de hand wijzende het gevoelen van Goethals, volgens wien de waardigheid slechts in eene bloote titulatuur zou bestaan hebben. Maar beide Heeren zijn van de waarheid even ver verwijderd. Ziet hier, wat er van de zaak is.
In 1603 werd de heer van Dorth, toen het Kwartiermeesterschap-generaal bekleedende, van wege Gelderland ter vergadering van de Algemeene Staten gecommitteerd; doch zitting willende nemen, werd hem die geweigerd, als onvereenigbaar met voornoemde waardigheid. Na eenige vergeefsche pogingen, om hunne Ho. Mo. dit anders te doen begrijpen, deed hij afstand van het Kwartiermeesterschap. Dit gebeurde in het begin van Julij. Eene maand daarna, den 6en Augustus, verleende Prins Maurits deze waardigheid aan Claude de Saverpont, (!) heer de la Vacquerie, en verzocht dien ten gevolge aan de Staten, hem als zoodanig door den Raad commissie te willen doen depecheren. Hieromtrent ontstond eenige zwarigheid, aangezien van Dorth was afgetreden, onder toezegging van dat jaar uit het daartoe staande traktement te zullen blijven trekken, en werd den heer de la Vacquerie, als Kwartiermeester-generaal gebruikt wordende, voorloopig 200 gulden extra toegewezen. Eerst in December kreeg die zaak haar eindelijk beslag. Op den 8 dier maand gingen hunne Ho. Mo. er toe over aan de la Vacquerie, als Kwartiermeester-generaal commissie, en tevens, voor Stevin «acte te doen depecheren, om de kwartieren te marqueren, volgens oock de ordre, die zijn Excellentie daarvan geven zou , mits dat men, alvorens de commissien uit te geven, haar aan zijn Excellentie zou hebben te communiceren, om zijn advies daarin te volgen», voorts zijn Excellentie te onderrigten van het tractement, dat de heer van Dorth getrokken had, en te verstaan, hoe men dat onder hen verdeelen zou.»
Het gevolg hiervan was, dat de la Vacquerie in de hoedanigheid als Kwartiermeester-generaal werd bezoldigd met f 100 ter maand en Mr. Stevin, «den welcken zijn Excellentie eenige jaren achter den anderen te velde geemployeerd hadde, op de qualiteit van ingenieur, afsteker van de quartieren ende anderzins, nadat zijn Exc. hem zou gelieven te employeren, met f 400 jaarlijks.» Was het te vergeefs, dat de heer de la Vacquerie over zoodanige (denkelijk door die splitsing ontstane) vermindering van traktement zich beklaagde 1), meester Stevin deed zulks in het begin van het volgende jaar met beter gevolg, zoodat hem zijn traktement met 10 Gulden ter maand werd verhoogd. Tot aan zijn dood, in 1620, bleef hij dien post bekleeden. Kort te voren deed hij nog eene poging bij de Generaliteit, voor gedane diensten ten behoeve van het land , eene extra-recognitie te bekomen, doch de Raad van State niet in zijn belang adviserende, werd hij daarmede afgewezen. [...]
1) [...] Die heer schijnt het niet al te breed gehad te hebben. Niet lang daarna overlijdende, liet hij eene weduwe met zes kinderen achter, waarvan een zoon, naar den Prins, Maurice was genaamd. Ik weet niet bepaaldelijk, of het voor diens « opvoedinge was, dat de weduwe, als buiten haar vaderland zijnde, en gansch geene middelen hebbende, om deze hare zes kinderen op te brengen, en te doen instrueren, eenige mortepaye » van de Staten van Holland verzocht, waarop haar te dien behoeve jaarlijks 120 gulden geaccordeerd werden. Resol. der Staten van Holland , 1606 Julij 22. Ik heb in van Buchell's aanteekeningen gelezen dat er in der tijd sprake ging, dat de Prins Antoinette de Henin in haar tijd niet leelijk gevonden en haar oplettendheid bewezen zou hebben. Zij woonde als weduwe te Utrecht. Volgens een schepen brief van den 17 Jan. 1606, verklaarde zij bij handen W. Johans van Mijnden, advoc., aan Jufv. Cath. de Croix, Wed. Hubrecht Dragon., verkocht te hebben, alle hare meubilaire goederen, voor de som van 2000 gl.
https://books.google.nl/books?id=cV5NAAAAcAAJ&pg=PA316&lpg=PA316&dq=%22antoinette+de+henin%22&source=bl&ots=tRHJItQQ1n&sig=ACfU3U0xqsTfdQfY7FRHDBBOZ4H2Xndujw&hl=nl&sa=X&ved=2ahUKEwjyt4mH_8DsAhWGzaQKHU4BD8gQ6AEwEXoECAkQAg#v=onepage&q=%22antoinette%20de%20henin%22&f=false
Vgl. nog
https://books.google.nl/books?id=IwhKAAAAcAAJ&pg=PA951&dq=weduwe+de+semerpont&hl=nl&sa=X&ved=2ahUKEwj-wPn0jcHsAhUOC-wKHfqDDYUQ6AEwAXoECAUQAg#v=onepage&q=weduwe%20de%20semerpont&f=false
(zoontje Claude)