In de lijst van Glasbergen ook zemer, maar hij zet er niet bij wat het is (boek zelf heb ik niet). Het zal iets met het maken van zemen te doen hebben, maar wat, of hadden we in 1857 al een glazenwasser?
Volgens Glasbergen is een zeemerder/zemer mogelijk een zeemleermaker. Het is een beroep dat in de 19e eeuw in Amsterdam voorkwam.
Zoiets lijkt me ook wel. In zijn lijstjes op internet heb ik geen toelichting gezien, in het WNT staat het ook niet. Het is in dit geval een getuige in de burg. stand in R.dam, niet het allerbelangrijkste, maar je wordt toch nieuwsgierig.
Het Middelnederlandsch Handwoordenboek van J.Verdam heeft het volgende:
Seem = Ongepijnde honing, het zoetste van de honing, zeem.
en
Seemmaker: Bereider van honingdrank, meede, rozenhoning. (Ook: Seemwerker)
Leuke nieuwe invalshoek; dat zou ik niet hebben gedacht. Niet op gekomen om daar te zoeken.