Dag Geert,
Voor 1811 zijn er doorgaans geen aparte doopakten, maar doopboeken,
waarin de dopen staan genoteerd.
Dopelingen staan in het doopboek vrijwel altijd alleen vermeld met de voornaam
(of meerdere voornamen).
Bij transcipties worden deze voornamen vaak aangevuld met het patroniem
of de achternaam van de vader.
Dat is goed bedoeld, voor het gemak van de onderzoeker, maar hierbij worden
soms dikke blunders gemaakt, zodat je meer last dan gemak hebt van deze service.
In principe is de doopnaam de meest voor de hand liggende naamgeving,
maar dat gaat niet in alle gevallen op.
De doopnaam is soms verkeerd verstaan en /of foutief opgeschreven.
Er is geen bindende regelgeving of voorschrift, wat je dan moet doen.
In zo'n geval noteer ik de meest voor de hand liggende naam, volgend uit
onderlinge vergelijking van latere naamgegevens van de betreffende persoon.
Knutselnamen:
Dit noem ik namen, die nooit gedragen zijn door de persoon, maar uit de vrije hand zijn geconstrueerd.
Voorbeelden hiervan zijn:
-Extra patroniemen toevoegen, door de voornaam van de grootvader en /of
overgrootvader ook als patroniem bij de persoon op te nemen.
-Kunstmatige verfraaiingen aanbrengen, bijvoorbeeld: Aaltie Broek wijzigen in
Aleijda van den Broecke.
-Foutieve patroniemen knutselen, bijvoorbeeld: dopelinge Helena Petronella Heres van den Clooster.
De vader was van adel en staat bekend als Heer van den Clooster.
Er staat ook een kind online met het patroniem Jonkers (vader was Jonkheer van den Clooster).
Van een titel kun je natuurlijk geen patroniem maken.
Van een militaire rang kun je ook geen patroniem maken.
Er staan kinderen online met het patroniem Kornet (vader was de Kornet van den Klooster).
-Foutieve achternamen knutselen, bijvoorbeeld: Hans de Scherprechter van Coevorden liet kinderen dopen.
In de transcriptie hebben alle kinderen als achternaam de naam Scherprechter gekregen.
Zo zijn ze echter niet gedoopt en later ook niet genoemd.
Persoonsgebonden namen:
Deze namen horen bij een bepaalde persoon, bijvoorbeeld de Scheepstimmerman Albert Winkel.
Een winkelhaak hoort bij zijn werkgereedschap, dus daar zit een relatie in.
Zijn kinderen nemen de naam van vader aan, daar zit ook een relatie in.
Veel genealogen voegden vervolgens de naam Winkel door extrapolatie toe aan de voorouders van deze Scheepstimmerman en aan ooms en tantes in de zijlijnen, die destijds nergens zo genoemd werden.
Foutieve patroniemen (2):
We weten allemaal dat er versteende patroniemen bestaan en verspringende patroniemen.
De transcripties van het archief Markiezenhof en ook van het archief van Brabant zijn aangevuld met patroniemen. Ze hebben abusievelijk als standaard gekozen voor versteende patroniemen. Daar kwam ik achter toen ik een paar Brabantse stambomen heb gemaakt. Dit maakt het zoeken soms erg lastig, want via die patroniemen kom je dus niet bij de volgende generatie, omdat die geen versteende patroniemen gebruikten.
Samenvattend:
De beste naamgeving komt uit de originele bronnen en niet uit transcripties.
Vergeet niet om doopnamen die vervoegd zijn uit de naamval te halen (RK-doopboeken).
Doopnamen zijn soms niet bestendig, de persoon gaat dan verder onder een andere naam.
Meerdere achternamen voor dezelfde persoon kan men vermelden als Alias of A.K.A.
Mvrgr,