TRAWANT
Woordsoort: znw.(m.)
Modern lemma: trawant
— TRAUWANT, TROUWANT, TRUWANT —, znw. m., mv. -en. In de bet. 1 en 2) uit fr. truand (12de e.); mnl. truwant; verg. eng. truant. In de bet. 3-7) uit hd. drabant, trabant [1424]; verg. de. drabant [1514], zwe. drabant [1526]; eng. trabant [1617]; fr. traban(t) [c. 1640], it. trabante [1702]; in het ndl. in deze bet. voor het eerst aangetroffen bij MURMELLIUS [1515] (in den vorm drauant). Beide oorspr. versch. woorden loopen vrij spoedig dooreen, eenerzijds onder invloed van den gemeenschappelijken vorm trouwant (< truand, zie SALV. DE GRAVE, Fr. W. 210; < trabant, met bijgedachte aan ”trouw”), anderzijds door de verwante gebruiks- en beteekenissfeer van de bet. 2 en 5).
Als vr. vormen werden aangetroffen trawante (POTTERS, Katech. 7, XXXII b [1917]); trawantigge (GILLIODTS-V. SEVEREN, Mém. de Bruges l, 71 [1514]) en trawantin (ANTONIDES 2, 24 [1667]).
–A. (Veroud.) Onmaatschappelijk, verwerpelijk persoon.
–↪1. Bedelaar, vagebond.
↪— Verbonden met zinverwante woorden.
↪— In de aanh. als hist. term.
–↪2. Nietsnut, booswicht, schelm.
↪— Gebruikt als scheldwoord.
–↪B. Iemand die behoort tot de omgeving van een als belangrijker gedacht persoon.
–↪3. (Veroud.) Lijfwacht, hellebaardier; dienaar.
↪— Behoorende bij een vorst of een als zoodanig gedacht persoon.
↪— Behoorende bij een hoogen officier.
↪— (Bijb.) Overste der trawanten, hoofd van de lijfwacht.
↪— In vergelijkingen.
↪— In beeldspraak.
–↪4. (Veroud.) Gerechtsdienaar.
↪— In een vergelijking.
–↪5. Veelal in ongunstigen zin: handlanger, bentgenoot.
↪— De duivel of Satan en of met zijn trawanten.
↪— In beeldspraak.
↪— Minder gewoon in gunstigen zin: metgezel, soortgenoot.
–↪6. (Overdr.) Satelliet, maan van een planeet.
↪— Soms: planeet.
↪7. (Overdr.; physiol.) Ben. voor een gedeelte van zekere soort van chromosomen.
↪Afl. — Trawanten, (veroud.) landloopen, bedelen.
Trouwanten. Otiosè vagari: & Agere parasitum, agere scurram, KIL. [1588].
— Tcroonken der maechdekens hebdi verloren nv, Eerloos goeyloos moechdi gaen truwanten In dootsonden hertbaerder dan diamanten, Ref. v. J. v. Doesb. 157 [ed. 1528].
↪Trawanterij, (veroud.) bedelarij, vagebondage.
Trouwanterije. j. boeuerije. vulgò Trutannia, KIL. [1599].
— Ooc is te duchten dat sulcke rabauwen comen onder tdecsel van trawanterye Joden, Turcken, ende Agarenen oft andere vremde comen als broot bidders als blinde stomme ende cruepelen ende bespien is te duchten geheele landen ende steden, Pronosticatie in forme van Prophecie (Petit, Pamfl. Cat. 34) A 2 r° [1531].
Es voorts om alle beters wille ende ten fyne dat hem elck trecke uuyt der trawanterie ende schicke hem om wercken ende dooghen, geordonneert dat enz., in Ann. Land v. Waas 9, 155 [1553].
Willen ende ordonneren noch, dat alle de ghene diemen heet Rabauwen, Bouuen, heuren leden machtich zynde, ende die daghelicks leuende zyn op heure Trawanterye ende Bliterye, binnen acht daghen nae de publicatie van desen, ruymen ende trecken uyt onsen voorseyden lande van Vlaendren, op peyne van enz., Vl. Placcaertb. 1, 12 [1639].
Trawantschap. Sinds V. MOOCK [1846] tot V. DALE [1914] in de wdb.
Samenst. Als tweede lid in: Hoftrawant, hoofdtrawant, landtrawant, lijftrawant, nachttrawant, oorlogstrawant, rijkstrawant, schavottrawant.
Als eerste lid:
↪Trawantcel (physiol.); zie de aanh.
Bij de laatste (de neurocytophagie) zijn de gliacellen vermeerderd, die als trawantcellen de gangliëncellen en het begin harer uitloopers omgeven, GANS, Leerb. d. Neurol. 57 [1934].
↪Trawantengarde.
Ook lijfwachters van vorsten, worden dikwijls trawanten, even als vorstelijke lijfwachten, trawantengardes of trawantenkorpsen genoemd, LANDOLT 2, 241 [1862].
Trawantenkorps; zie een voorb. bij Trawantengarde.