Dit gaat niet om leeshulp, maar hulp bij interpretatie. Ik hoop dat dat niet erg is, of dat je me kunt doorverwijzen naar een geschikter forum
In het verpondingskohier uit 1646 van Rekken (Berkelland) staan de bezittingen en rechten van ca 75 boeren. Veelal pachten ze (delen van) hun grond van De Heeren van Borculo, van het bisdom Munster, of van de enige grootgrondbezitter uit het dorp zelf (Merveld).
Slechts twee boerderijen zijn in het bezit van een vrouwenklooster in Vreden net over de duitse grens grens: Gelink, waar ik geboren ben, en Elferink/Elfers, onze naaste buren.
De volgende tekst vind ik daarover:
Lubbert Elfferinckx goet, hoort den abdissinnen van Vreden, ende sijn hoffhorich. Daertoe is een huis met die lijfftucht ende 2 gaerdens, groot 3 schepel geseys, geset op 12 daler. Ende 3 koeweiden ad 3 daler de weyde. Aen bouwlant 9 molder saet, sijnde waetersuchtich landt, thientvrij, lichte garve. Geeft jaerlix ther pacht ½ schepel roggen ende 2 molder gersten, een vercken ofte 1½ rijckxdaler. Facit 3 gulden, 15 stuiver. Een henxstpenninck 1½ stuiver, den 9den gast uit sijn gehele landt krijcht sijn vaeder. Pontschattinge: 16 gulden, 10 stuiver. 114-9-10.
Joan Gelincxgoet hoort die abdissinne van Vreden, is hoffhorich. Daertoe huys met 2 gaerdens, groot 2 schepel, geset op 12 daler ende 3 koeweiden ad 3 daler die weide. Aen bouwlant 10 molder saet, tientvrij. Geeft ther pacht ½ schepel roggen, 2 molder gersten, een vercken ofte 3 gulden 10 stuiver. Een henxtpenninck oft 1½ stuiver. Pontschattinge: 16 gulden, 10 stuiver. 121-9-10. 111-15-5
Het gaat om het woord "henxtpenninck". Wat kan dat betekenen? Het komt alleen bij deze twee boeren voor, en als ik op Google zoek, vind ik alleen de kohiertranscriptie waar ik mee werk.