De aktes werden altijd in tweevoud opgemaakt. Een exemplaar bleef bij de gemeente, de andere akte (in een afzonderlijk tweede register) ging na het einde van het jaar naar de provincie/griffie. Of elke gemeente dezelfde benaming gebruikte weet ik niet, maar je hebt dus het eerste en het tweede (dubbele) exemplaar van elk register.
Normaal gesproken zijn beide aktes gelijk, maar soms kan er in een een foutje geslopen zijn. Of latere kanttekeningen zijn niet altijd in beide registers opgenomen.
Komt ook nog bij dat, als iemand in een andere plaats overleed dan waar hij stond ingeschreven, er in beide gemeentes een akte werd opgemaakt; in de ene een aangifte en in de tweede een melding dat er elders een overlijden was aangegeven.
Het Tweede exemplaar ging naar provincie/Griffie. Niet de Griffie van de Provincie, maar de Griffie van de Arrondissementsrechtbank.
Op deze wijze kon de Rechterlijke macht ongehinderd de stukken raadplegen. Ze waren niet afhankelijk van ambtenaren van de Burgerlijke Stand.
Na zo'n 80 jaar vond de rechtbank deze stukken niet meer voor de juridische Zaken niet meer zo belangrijk.
Deze bescheiden komen niet voor Vernietiging in aanmerking en worden overgedragen aan de Rijksarchieven in de provincie /c.q rechtsopvolgers.
Groeten van Terkos