Mijn favoriete voormoeder is Loonken Bastiaans. Loonken overleed na 16-12-1610 op Noord-Beveland en was gehuwd met Pieter Willemse Ketelaer, landbouwer en gezworene van de Noordbevelandpolder. Hij was een van de pioniers die het eiland onder extreem moeilijke omstandigheden weer wist te ontginnen en bevolken.
Loonken was een vrouw met een ijzersterk karakter en een overzettelijke persoonlijkheid. Op Noord Beveland heerste in 1609 een vreselijke hongersnood. De volledige oogst was in de winter doodgevroren. Mensen en dieren stierven. Probleem was de vreselijke pestepidemie van 1603-1604 die de mannelijke arbeider flink had uitgedund.
De graanprijzen stegen in dat jaar tot ongekende hoogte. Voor de boeren, zoals Loonkens man, waren het gouden tijden. Voor de armen betekende het de dood.
Maar Loonken, haar man en mijn voormoeder, was sociaal zeer bewogen en ging met een bootje naar Zuid-Beveland, naar Goes en haalde daar 12 witte broden voor de armen. Dat liet de molenaar op Noord-Beveland, Jacob Thonisz niet op zich zitten en ging met de heeren Dienaar naar de haven en nam de broden in beslag. De volgende dag deed Loonken weer precies hetzelfde en haalde negen roggebroden, vier tarwebroden en 11 broden van 3 stuivers per stuk uit Goes. Wederom stonden de Heeren Dienaar en de molenaar haar in de haven op te wachten en pakten de broden van haar af.
Twee weken later probeert ze het opnieuw. Haar zoon, die secretaris van het Noord Bevelandse Kats was, schrijft geheel emotieloos in het schepennotulenboek :
"Heeff de huisvrouw van Pieter,Willemsz Ketelaer gebracht van Goes zesentwintig roggebroden van drie stuivers het stuk en dertien tarwebroden van drie stuivers het stuk, komt op negentien schellingen en zes grooten en zij heeft die broden door Jan Cosijn als mededoender (aandeelhouder) in de maa1derij om zijn 'caliote' te hebben in beslag doen nemen.". Weer voor niks dus....
het brood werd overigens tussen de schout en de molenaar voor eigen gebruik verdeeld.....De armen kregen niets.
Reden van de inbeslagname was dat sprake was van een dwangmolen : men moest graan laten malen op de molen van de ambachtsheer. Invoeren van meel noch brood was toegestaan en leverde Loonken forse boetes op.
Een prachtig verhaal, dat, naast nog veel meer prachtige verhalen over mijn voorouders, te vinden is in het boek "Pioniers aan de Oosterschelde" van dr. Welten.
Veel van de informatie daarin komt van Loonkens zoon, mijn voorvader Willem Pietersz Ketelaer (ca 1578-1609), die secretaris van Kats was en in prachtig krullenschrift zijn uitvoerige aantekeningen maakte, standaard ondertekend met zijn naam, een grote krul en de datum.
Dr Welten : "Hij schreef op wat hij hoorde, altijd in de hij-vorm. Maar ik ben hardstikke blij als ik uit de stukken merk dat de secretaris dronken wordt, want dan gaat hij in de ik-vorm over. Dan voel je het leven zoals het zich ter plekke in die kroeg en daarbuiten heeft afgespeeld'