Uit Het Nederlandsch burgerlijk regt, naar de volgorde van het ... (1845) ontleen ik het onderstaande, waaraan voorafgaand mijn persoonlijke opmerkingen:
- Er blijkt uit, dat overspelige en uit bloedschande verwekte kinderen (toen) feitelijk niet konden worden erkend of gewettigd.
- Elders lees ik, dat erkenning door de moeder na de geboorteaangifte resp. tijdens de huwelijksverstrekking noodzakelijk is, omdat de geboorteaangifte (vrijwel) altijd buiten haar om is gegaan. Hoewel wettelijk niet voorgeschreven, doet de ambtenaar van de burgerlijke stand vóór/bij huwelijksverstrekking er goed aan om te vragen of er te erkennen/te wettigen kinderen zijn.
“…Van de wettiqing van natuurlijke kinderen, en van de erkenning van natuurlijke kinderen.
S 8.Van natuurlijke kinderen in het algemeen.
324. Men noemt in het algemeen natuurlijke kinderen diegene, welke verwekt en geboren zijn buiten huwelijk. Men drukt daardoor uit „dat er tusschen hen en hunne ouders alleen natuurlijke en geene burgerlijke betrekkingen bestaan, en onderscheidt dezelve daardoor van de wettige kinderen, die, behalve door natuurlijke, ook door burgerlijke en wettelijke banden aan hunne ouders verbonden zijn (1).
325. De natuurlijke kinderen worden onderscheÎden in natuurlijke kinderen, bepaaldelijk zoo genoemd , en in overspelige en bloedschendige kinderen (2).
Tot de eerste behooren de zoodanige, welke geboren zijn uit ouders, die, op het tijdstip waarop zij verwekt‘ zijn, noch wegens een bestaand huwelijk, noch wegens te naauwe bloedverwantschap verhinderd werden met elkander een wettig huwelijk aan te gaan (3).
De Groot (1) noemt dezelve speelkinderen, in tegenoverstelling van de andere soort, die hij overwonnen kinderen noemt.
326. Overspelige kinderen zijn de zoodanige, die geboren zijn uit ouders, waarvan althans één, op het tijdstip, waarop zij verwekt zijn , met eenen ander’ door het huwelijk verbonden was.
327. Bloedschendige kinderen zijn de zoodanige , wier ouders met elkander door te naauwen graad van bloed verwantschap of zwagerschap verbonden waren , dan dat volgens de wet met elkander mogten trouwen.
328. Bij de beoordeeling der beide soorten van natuurlijke kinderen moet steeds gelet worden op het tijdstip, waarop zij verwekt zijn.
Indien de ouders toen beide vrij waren , zonder door bloedverwantschap of zwagerschap aan elkander verbonden te zijn, zoo is het kind een natuurlijk kind in den engeren zin des woords, al is het ook, dat vóór deszelfs geboorte een dier ouders met een’ ander is in het huwelijk getreden, of dat er eene betrekking van zwagerschap tusschen hen ontstaan is.
Omgekeerd blijft het kind, van welks ouders, toen hetzelve verwekt werd, de een gehuwd was, overspelig kind, al was dat huwelijk ook vóór de geboorte ontbonden.
Intusschen moet men ook hier letten op den korteren en langeren duur der zwangerschap, en bij twijfel zal men steeds geneigd moeten zijn, het kind als natuurlijk kind bepaaldelijk zoo genoemd te beschouwen.
De voorregten, aan hetzelve boven overspelige en bloedschendige kinderen toegekend, wettigen deze gunstige uitlegging, waar geen meerdere grond voor het tegendeel bestaat (2).
329. Ofschoon de natuurlijke kinderen in het algemeen hun aanzijn aan eenen ongeoorloofden omgang te danken hebben, zoo zijn toch de overspelige en bloedschendige kinderen ‘ten allen tijde door de wetgevers met bijzonderen weerzin beschouwd , onidat zij de betrekkingen , door natuur en wet geschapen, meer dan de anderen verstoren.
Ook onze wetgever heeft daarom aan beide soorten van natuurlijke kinderen niet dezelfde regten toegekend, in de veronderstelling van, door zijne gunst aan de vrucht hunner misdaad te onthouden, de ouders op eene gevoelige wijze te straffen.
Wij zullen, in de verdere behandeling van dezen titel, dat onderscheid daarin kunnen opmerken , dat , terwijl de toestand der natuurlijke kinderen, in den engeren zin, als zoodanig door erkenning of wettiging verbeterd kan worden, de overspelige en bloedschendige kinderen daarvan, volgens art. 327 en 338 B. W., zijn uitgesloten.
En terwijl de wet zelve de natuurlijke kinderen, zoo zij erkend zijn , tot de nalatenschap hunner ouders roept, en hun zelfs een wettelijk erfdeel verzekert, zoo verleent zij aan in overspel of in bloedschande verwekte kinderen alleenlijk het noodige levensonderhoud , en zoo hun dit bij het leven van den vader of de moeder reeds mogt zijn verzekerd, zoo hebben zij geene verdere aanspraak hoegenaamd.
330. Natuurlijke kinderen hebben in het oog der wet geene ouders, tenzij zij gewettigd of erkend zijn.
Hier, waar van het vaderschap en van de afstamming der kinderen gehandeld wordt, moeten dus de wettiging en de erkenning nader beschouwd worden, als van groot gewigt voor de betrekkingen tusschen natuurlijke ouders en kinderen.
De wetgever heeft eerst de wettiging behandeld, omdat daardoor de kinderen gelijkgesteld worden met wettige kinderen, waarover in de eerste afdeeling gesproken was, terwijl de toestand van alleen erkende kinderen veel minder gunstig is.
Daar echter in elk geval de erkenning aan de wettiging moet voorafgaan, is mij voor mijn doel eene omzetting dezer onderwerpen meer aannemelijk voorgekomen. De orde, die wij zullen volgen, was ook aangenomen in het Wetboek NAPOLEON (MJ: 1809), ingerigt voor het koningrijk Holland (1)…”