Dag den Hartog,
De stap van boer naar schipper is niet zo vreemd als het lijkt. De oudste zoon zette meestal de boerderij voort.
De andere zonen moesten ook leven, dus werden zij boerenknecht, arbeider, handwerksman, soldaat, schipper, koopman, matroos of soldaat.
Er waren in het Noorden ook combinaties van beroepen, dus schipper, boer en kleinvervener met een familiegroepje.
De vrouw met de knecht of met grote kinderen dreven de boerderij en staken turf.
De man of de oudste zoon met een knecht vervoerde de turf naar Holland, of naar de grote rivieren en verkocht daar de turf.
De retourvracht bestond bijvoorbeeld uit een lading metselstenen of timmerhout.
https://www.google.nl/search?q=oude+turfschepen&biw=1920&bih=934&tbm=isch&tbo=u&source=univ&sa=X&ved=0ahUKEwiepK7gzNnJAhVEIg8KHVkZB0kQsAQIGw
Een boerderij leverde landbouwproducten en vee. Deze werden vaak vervoerd per eigen schip over water,
want de wegverbindingen waren onvoldoende en van een matige kwaliteit, vooral in het natte jaartgetijde.
De tuinbouwgebieden in Holland werden bevoorraad met mest, wat met schepen werd aangevoerd.
De boeren in Holland hadden zelf ook kleine schepen voor het vervoer van groente e.d. naar de steden (scheepstype Westlander).
Hieruit is af te leiden, dat er een vermenging van beroepen en activiteiten plaats vond.
Aanrader: breng eens een bezoek aan onze laatste scheepslift in Broekerhaven (stukje monumentaal erfgoed).
https://www.google.nl/search?q=westlander+boot&biw=1920&bih=934&tbm=isch&tbo=u&source=univ&sa=X&ved=0ahUKEwi1leGvzNnJAhXCdQ8KHaABDR0QsAQIIQ
https://www.google.nl/search?q=scheepslift+broekerhaven&biw=1920&bih=934&tbm=isch&tbo=u&source=univ&sa=X&ved=0ahUKEwiUooubzdnJAhVDfw8KHZsVB1kQsAQIIg
In het begin van de 19e eeuw voer men op de rivieren nog met houten zeilschepen.
Dus werd er gezeild (gelaveerd) tegen de stroom in, of het schip werd getrokken met paard- of menskracht.
De schepen waren dus niet zo groot, maar hadden een relatief groot zeiloppervlak.
Stroomafwaarts kostte minder kracht, men stevelde of stevende stroomafwaarts in de lijn waar de meeste stroom liep (in de stroomdraad).
Dit vormt de reden, dat je op schilderijen en prenten die ouderwetse hangroeren ziet, met een groot roerblad en een lang helmhout.
Op de oude Oberländers zie je een vergelijkbaar roer aan de stuurboordzijde (= een primitief roer als op een Vikingschip).
Dan weet je ook waar het bakboord zit, want daar sta je met je rug (back) naar toe.
http://www.vaartips.nl/extra/geubel.htm
https://rkd.nl/nl/explore/images/8757
https://www.google.nl/search?q=beitelaak&biw=1920&bih=934&tbm=isch&tbo=u&source=univ&sa=X&ved=0ahUKEwi48fTxy9nJAhXEgg8KHW2CAV8QsAQIMA
https://www.google.nl/search?q=samoureus&biw=1920&bih=934&tbm=isch&tbo=u&source=univ&sa=X&ved=0ahUKEwihw7vZydnJAhXF6A4KHZGWAtYQsAQINQ#imgrc=-ZomdQsNyAod6M%3A
Schippersfamilies kenden elkaar, omdat ze elkaar regelmatig tegenkwamen op de vaarroutes en ook op de laad- en losplaatsen.
Hun kinderen gingen met elkaar om en er ontstonden vaak relaties, zodat een schip later werd overgenomen door een aangetrouwde zoon of dochter. De ouders gingen aan de wal wonen en een zoon of dochter nam het schip over en loste de koopsom af met termijnbetalingen, gedurende een aantal jaren.
Men ontmoette elkaar ook op ankerplaatsen, zoals "op de modder" voor de Oranjesluizen bij Schellingwoude, of op de Gouwzee achter het eiland Marken, of langs de Rijn bij het gat van Rees.
Destijds waren de meeste mensen actief lid van een Christelijk kerkgenootschap en de schippers en hun gezinnen vormden hierop geen uitzondering. Zondags ging men ter kerke in de plaats waar men toevallig met het schip lag en het was geen uitzondering, dat alle kinderen van een schippersgezin gedoopt waren op een andere ligplaats. Dat waren soms bijzondere plaatsen, zoals een Kerkschip wat voor anker lag in het gat van Rees, alwaar het schippersgezin per roeiboot ter kerke ging. Soms lag een groepje schippers met hun schepen tezamen voor anker en kwam men 's Zondags bijeen op één van de schepen, waar door de schipper een "huisdienst" werd gehouden, middels het lezen van een preek.
Er waren dus redelijk veel plaatsen en gelegenheden, waar mensen uit de varende gemeenschap elkaar konden ontmoeten, nieuws konden uitwisselen, of relaties konden aanknopen.
Hoe was het leven op een schip ?
Wel, er was weinig leefruimte en veel laadruimte. Ik weet dat, want ik ben als kind een keer achterover in het scheepsruim gevallen.
Het gezin woonde in de roef en de knecht of de oudste zoon sliep in het vooronder, in een kooi, op een strozak.
Het werk op een schip was zwaar, en er kleefden talloze risico's aan het varen, zowel voor de bemanning als voor het schip en de lading, vooral tijdens stormachtig weer, ijsgang, of dichte mist.
Verder maakte men lange werkdagen en waren er tijdens het varen weinig ontspanningsmogelijkheden.
Wanneer men 's winters ingevroren raakte op de binnenwateren, of in een haven, stonden de verdiensten stil en moest men leven van wat men gespaard had. Er waren natuurlijk ook wel leuke momenten, bijvoorbeeld als het schip ergens lag waar je vissen of zwemmen kon (veel schippers konden niet zwemmen). Wat altijd mooi was om te zien, was de drukte op de grote vaarroutes, zoals de Rijn bij Lobith, of de havens in Antwerpen en Amsterdam. Daar waren vaak bijzondere dingen te zien, zoals Raderboten, of grote Houtvlotten van Bovenlandse palen, met een aangebouwd roer en een zeildoektent en een sleepboot ervoor om te trekken. In de havens lagen de grote zeeschepen, van over de hele wereld. Hier werd de lading overgeslagen in binnenvaartschepen en werd de hele dag gevaren met bootjes voor mensen en goederen.
De meeste binnenvaartschepen waren eigendom van de schipper. Sommigen hadden nog een lening op het schip, anderen hadden een schip wat helemaal vrij was van schuld. Het inkomen van een schipper was wisselend. Sommigen waren arm, anderen waren bemiddeld, dat hing af van voor- en tegenspoed, want de persoonlijke risico's waren niet gering. Daarom heetten schepen soms "Wisselvalligheid", of "Verwisseling" en dat zegt toch wel iets. Een optimist noemde zijn schip "Goede verwachting", een pessimist koos voor "Nieuwe Zorg".
Er waren begin 19e eeuw nog geen sociaal-maatschappelijke vangnetten om op terug te vallen, dus wie zijn schip verloor door een aanvaring, stormschade of brand, was op slag ridder te voet. Wie zijn gezonken schip niet binnen een beperkte korte tijd liet bergen, verbeurde schip en lading. De autoriteiten verklaarden het schip dan tot wrak en streken de eventuele opbrengst op. Een schip wat tijdens een storm, bijvoorbeeld op de Zuiderzee, door de bemanning werd verlaten, was voor degene die het op sleeptouw wist te nemen en te bergen.
Als een schipper de scheepsramp overleefde werd hij zo mogelijk schippersknecht, sluisknecht of brugwachter, maar als hij te oud was eindigde hij in het armhuis. Een schip werd verkocht als een schipper geen opvolgers had, en / of oud en gebrekkig was geworden. De opbrengst was bedoeld om van te leven. Hout rot na verloop van tijd, dus moest er geld zijn voor onderhoud en reparatie van een schip, maar als het schip te oud en versleten was, werd het verkocht voor opslagruimte of woonschip.
Mvrgr,
Henk Elsinga