Het woord slee had meerdere betekenissen vroeger:
— SLEE —, znw. vr. Mnl. slede, ohd. slito (m.), slita (vr.), mhd. slite, slitte, hd. schlitten (m.), os. slido (m.), m. eng. slede, eng. sled. Van den stam van Slijderen, Slieren.
+1. Voertuig zonder wielen, dat glijdend wordt voortbewogen en gewoonlijk rust op twee evenwijdige met metaal beslagen of metalen ribben.
↪2. Raamvormig of op liggers rustend toestel dat over den grond wordt gesleept; bepaaldelijk in toepassing op een landbouwwerktuig: sleephek, sleep. In dit gebruik niet algemeen.
+3. Glijdend onderstel.
↪4. Glijdend deel van een draaibank of andere werkbank, waarin een gereedschap kan worden vastgezet.
↪5. Schuifbaar, gewoonlijk tevens dragend, deel van verschillende toestellen.
↪6. Langs een geleilat schuivende mal voor het trekken van lijsten in pleisterwerk.
↪7. Toestel waarlangs de affuit van een stuk scheepsgeschut heen en weer kan schuiven.
8. Toestel, bestaande uit een strook ijzer met twee stiften, dat met een schroef onder de tafel wordt vastgezet, waarin de tang van een diamantslijper rust (levit.-polak, Diam.).
↪9. Houten rand waarin een stuk zandsteen wordt gevat voor het schuren van natuursteenen vloeren.
↪10. Plankje dat het glijden van het rak van een steng helpt bevorderen.
↪11. Draagbalk van een overstekende verdieping van een huis. Vroeger, althans te Utrecht; verg. bij de samenst. Sleebalk en Sleestuk.
12. Plank waarop de schoor van een onderschraging wordt bevestigd. Te Gent (elders in Z.-Ndl.: slets) (v. houcke en sleypen, Mets. 257 [1897]).
↪13. Inrichting om den mond van een kornet open te houden en over den bodem te doen schuiven.
Mogelijk moet je aan iets denken onder nr 2 genoemd om de dode te verplaatsen?