stamboomforum

Forum logoKarel de Grote » Twijfel op Karel de Grote-site


Profiel afbeelding

Hallo Jaap, 

Ik heb niet beweerd dat de man dood is, ik opper alleen de mogelijkheid daarvan.

Johan

Johan van Eenennaam

Jaap Gestman Geradts

Toen ik dit onderwerp zag, hoopte ik dat er iemand opgestaan was, die hierin kan duiken.

Al een jaar of 15 geleden heb ik alles wat verwees naar de kennis van KdG-site op "twijfelachtig" gezet in mijn database.

Naïef als ik was had ik net daarvoor wat Gedcoms van mensen overgenomen. 

Ik heb begrepen dat er eigenlijk geen onomstotelijk bewijs mogelijk is, zeker niet als er sprake is van meer mensen met dezelfde combinaties van namen. Als er dan hypotheses worden losgelaten en in de volgende stap geen verder bewijs boven tafel komt, kan je je echt afvragen klopt dit wel? Het wordt dan een soort kansspel. Voor sommige mensen is dat een reden geweest om heel kwaad op elkaar te worden. Ik heb me hierover verbaasd. Zolang je transparant bezig bent hoeft dat toch niet? Er zullen wel andere belangen hebben gespeeld.

Ik moet volgens de nieuwe pensioen regels inmiddels al 13 jaar langer werken dan wat er mij bij het begin is verteld, dus mij er echt in verdiepen duurt nog wel een jaartje of 7. Intussen hoop ik verder op iemand die zich er wel in kan verdiepen.

J.Molenaar


Van Alma tot Zuiderent

Een artikel in het kwartaalblad Gen. van het CBG

In het eerste kwartaalnummer van 2014 van het kwartaalblad Gen. legt de schrijver van dit artikel uit waarom één van de drie reeksen op kareldegrote.nl niet voldoet aan de harde eisen van de moderne genealogie. Dat is een mooie inleiding voor veel vragen die er in dit forum leven.

Aanvankelijk zakte mijn broek af bij het lezen van dit artikel. Immers had ik een aantal jaren ervoor met nota bene de redacteur van het CBG om de tafel gezeten om de kwaliteit van kareldegrote.nl te verbeteren en het geheel naar een hoger niveau te tillen. Hij was op de hoogte van mijn ideeën, kende mijn wensen. En dan dit artikel van een derde, hoogstwaarschijnlijk goedbedoelde stuurman, maar wel eentje die aan de wal stond. 

Dit blad Gen. lijkt zo wel een goedkoop en op sensatie belust roddelblaadje bij de kapper te worden. Waarom zo negatief? Zet eens een positief stuk in Gen. over kareldegrote.nl.  Waarom had de redacteur van het CBG de schrijver van Van Alma tot Zuiderent niet verteld over kareldegrote.nl en mijn ideeën daaromtrent en onze poging van destijds om er nog iets veel mooiers van te maken? Dan was dit negatievisme en galspuiterij niet nodig geweest.  Of kom met opbouwende voorstellen om onze aanvankelijke ideeën toch ten uitvoer te brengen, in plaats van goed bedoelde initiatieven meedogenloos de grond in te boren. Dat was aanvankelijke mijn ingetogen reactie.

Ook al zie ik het nog steeds als makkelijk brullen vanaf de zijlijn, het is goed even stil te staan bij dit artikel.

De schrijver van Van Alma tot Zuiderent schrijft in zijn artikel dat kareldegrote.nl keurig netjes aangeeft waaraan de bewijsvoering moet voldoen. Het zijn de algemeen bekende regels die ook gelden voor wetenschappelijke tijdschriften: vermelding van de bewijsvoering (primaire bronnen; geen literatuur) per filiatie en met alle argumenten voor de betrouwbaarheid van een filiatie wanneer die niet echt is bewezen. 

De schrijver van Van Alma tot Zuiderent concludeert echter dat deze voorschriften slechts in een handvol reeksen inderdaad is opgevolgd. Bij de meeste reeksen zijn alleen secundaire literatuur vermeld, van de Karel-de-Grote-nummers in Gens Nostra tot de dikke Kwartierstaat Greidanus-Jaeger. En hoe vervelend ik het ook vind, de schrijver van Van Alma tot Zuiderent heeft hier gelijk. Dit is de achilleshiel van kareldegrote.nl. Sterker nog, ik durf dit veel breder te trekken: dit is de achilleshiel van de gehele genealogie zoals wij die met z’n allen bedrijven. 

Als de schrijver van Van Alma tot Zuiderent nu op een opbouwende manier was gekomen hoe we een en ander zouden kunnen oppakken op kareldegrote.nl dan zou ik er nog vrede mee hebben gehad.  Maar hij vervolgt zijn artikel met een hoofdstuk “De boom gesnoeid” en loopt alle reeksen na en geeft ze een kwalificatie van juist, of niet juist. Hij gaat daarbij rigoreus te werk. Zo wordt bijvoorbeeld Reeks 2 die via “een Beatrix van Wtenweerde uit 1517” loopt, maar wiens afstamming volgens de schrijver van Van Alma tot Zuiderent onbewezen is, weggemaaid en bij het groene vuil, het hakhout gezet. En ik hoef u niet te vertellen dat Beatrix van Wtenweerde een crusiale rol speelt in de Nederbetuwe als het gaat om Karel de Grote. Als een koning Salomon is de schrijver van Van Alma tot Zuiderent door de reeksen heen gerost en heeft zijn oordeel gegeven. 

Welnu, zo – werkt – dit – niet !  Wil je een reeks goed kunnen beoordelen dan moet je bereid zijn kritische vragen te stellen en zul je de bewijsvoering minitieus per filiatie moeten bekijken. En dat zou de schrijver van Van Alma tot Zuiderent dan hebben moeten doen voor ruime 200 reeksen. Ik verzeker u, dat heeft hij niet gedaan!

Desalniettemin legt dit artikel wel de vinger op de zere plek.  We kunnen natuurlijk doen alsof de kritiek niet bestaat, maar het is beter om de "zwakke schakels" eerlijk te benoemen en op zoek te gaan naar aanvullend bewijs. Sterker nog, hoe kritischer er naar een reeks gekeken wordt, hoe waardevoller de reeksen worden die ongeschonden overeind blijven, en hoe waardevoller kareldegrote.nl wordt. Het Karel de Grote onderzoek is juist gebaat bij kritische beschouwing. Anders komt het Karel de Grote onderzoek al snel in een hoek van wensdenkers en genealogische snobs terecht, en dat zou jammer zijn. Kareldegrote.nl is meer dan ooit nodig om het kaf van het koren te scheiden, op het internet dat steeds meer vervuild.

Acties naar aanleiding van het artikel van de schrijver van Van Alma tot Zuiderent in Gen.

Nadat de eerdergenoemde werkgroep een stille dood was gestorven heb ik mij beraden hoe nu verder te gaan met kareldegrote.nl. Het was mij duidelijk dat een weg naar een parenteel van Karel de Grote, zeker in mijn eentje, een onbegonnen opgave zou zijn. Ik realiseerde mij al snel dat als je het hebt over kwaliteit, het grootste goed ten aanzien van kwalitatief hoogwaarde reeksen gelegen is in bewijsvoering. Het was en is voor mij onbegonnen werk om de eerdere reeksen, waar de bewijsvoering van die reeksen alleen gebaseerd is op verwijzingen naar andere genealogische literatuur, allemaal te screenen. Je stuit daarbij nl. op één van de grootste problemen : 

 

Het klakkeloos overnemen van gegevens van anderen.  

En met anderen bedoel ik dus ook de gegevens vanuit genealogische literatuur.  Ik weet dat velen het hiermee niet eens zijn.  Men komt dan met argumenten dat bepaalde schrijvers van genealogische artikelen toch een prima naam hebben en zeer betrouwbaar zijn. Dat zou dan moeten bijdragen aan de betrouwbaarheid bij het overnemen van genealogische gegevens. Ook het feit dat iemand erelid is van een genealogische vereniging wordt dan als kwalificatie in de bewijsvoering meegenomen.

Het spijt mij wel beste mensen.  Mijn ervaring leert dat dat volstrekt niet kan dienen als bewijsvoering. Ik heb te veel voorbeelden gezien waarbij de overgenomen informatie achteraf gewoon niet juist bleek te zijn. 

Even weer terug naar kareldegrote.nl. Ik realiseerde mij dat er onder de bestaande reeksen veel kaf onder het koren kon zitten en dat het voor mij een onmogelijke taak zou zijn om het koren van het kaf te ontdoen. Ik heb daarom besloten de voorwaarden voor publicatie van nieuwe reeksen aan te scherpen. In die gevallen waar aangehaakt werd op bestaande reeksen moest de inzender ook kritisch kijken naar de filiaties van de reeks waarop aangehaakt werd. Dat werd, en is ook voor mij een taak om daar goed op te monitoren. Op die manier zal heel langzaam bij die oude reeksen het kaf van het koren gescheiden gaan worden.

Wat ik echter verzuimde, en dat is een omissie van mijn kant, is een soort beoordeling van de reeksen op zich. Dat verzuim lag in het feit dat het mij schier onmogelijk was een betrouwbare kwalificatie bij iedere reeks te geven. Het artikel van de schrijver van Van Alma tot Zuiderent heeft echter de noodzaak van toch enigzins een kwalificatie, duidelijk naar voren gebracht. Hoewel, hoewel.  

De schrijver van Van Alma tot Zuiderent kwam met zijn eigen oordeel over de reeksen, maar net zo goed als ik dat niet kan, kan hij dat ook niet.  Daar moet je je per reeks verdiepen in de meest kleine details en kun je je niet beperken tot alleen het raadplegen van genealogische literatuur.

Wat ik toen daarom gedaan heb is het voorzien van de reeksen van een kwalificatie die niet verder ging dan bijvoorbeeld:

  • Een reeks die overduidelijk niet juist is
  • Een reeks die een zwakke schakel kende
  • Een reeks waarbij er sprake was van onvoldoende bewijsvoering 

Veel reeksen behoorden en behoren tot die laatste categorie. Dat betekent echter niet per definitie dat die reeksen niet juist behoeven te zijn. Ze moeten alleen voorzien worden van de juiste bewijsvoering. 

 

Over: de invloed van het internet op de genealogie

Met de intrede van het internet is er een wereld voor ons opengegaan. 

Chriet Titulaer had het al voorspeld en het is inderdaad werkelijkheid geworden en een ontwikkeling die nog steeds gaande is. Naast het feit dat we via mail met elkaar kunnen communiceren, waarbij de ontvanger het bericht van de verzender direkt in zijn mail-brievenbus heeft liggen, waar je ook bent ter wereld, is het internet een bron van gegevens geworden. Iedere minuut komen daar meer gegevens bij. Via zoekmachines als google kunnen we onze weg proberen te vinden in al die informatie. Een encyclopedie hebben we niet meer nodig en als we ‘m al hebben, dan staat ‘ie digitaal op je laptop of iPad.

De komst van het internet heeft ook grote invloed op de genealogie. Daarbij kun je twee stromingen onderscheiden:

  • Digitaliseren van originele archiefbronnen en het online ter beschikking stellen daarvan op het internet
  • Het op het internet “publiceren” van genealogische onderzoek

 

Digitaliseren van bronnen

Er zijn diverse mogelijkheden ten aanzien van het digitaliseren van bronnen.  De originele bronnen kunnen daarbij bladzijde voor bladzijde gescand worden en integraal online op het internet worden gezet.

Anderzijds kunnen de gegevens uit die originele bronnen integraal getranscribeerd, of in een soort regestvorm online ter beschikking worden gesteld, al dan niet via een database, waar vanuit diverse ingangen er weer gezocht kan worden binnen de gegevens. Bij deze laatste vorm is er natuurlijk sprake van een menselijke factor.  De originele bron zal immers door iemand getranscribeerd moeten worden, of op zijn minst bewerkt moeten worden met steekwoorden. Die menselijke factor brengt onvermijdelijk ook de kans op fouten met zich mee. 

De laatste en eigenlijk mooiste vorm van ter beschikking stellen van originele bronnen op het internet is de combinatie van een soort database met daarbij de scans van de originele stukken.

Steeds meer worden archieven zich bewust van de voordelen van het digitaliseren van hun originele archiefstukken. Daarbij snijdt het mes aan twee kanten. 

Door de steeds beperktere openstellingen van archieven kunnen steeds minder mensen gebruik maken van die archieven. Door de archieven integraal en digitaal via het internet ter beschikking te stellen is het voor veel onderzoek niet meer nodig de gang naar een archief te maken. 

Doornaast behoeven reeds gescande archiefstukken dus ook niet meer handmatig geraadpleegd te worden, waardoor de betreffende originele stukken niet meer te lijden hebben van het handmatig raadplegen. 

Een win-win-situatie. 

Een laatste hobbel is natuurlijk altijd weer het geld. Wie betaalt het? Tot voor kort waren er veel instanties die de gebruikers voor de kosten lieten opdraaien. De wet en regelgeving heeft de archiefwereld naar het lijkt een zetje gegeven en veel archieven bieden de gebruikers kosteloos de mogelijkheid van “scannen op verzoek”. Daarbij kunnen de gebruikers aangeven welke archiefstukken zij graag gescand willen hebben. Op die manier worden langzaam-aan de archieven integraal via het internet ter beschikking gesteld aan het publiek. Eigenlijk zou ieder archief deze mogelijkheid moeten bieden. Niet alleen ter compensatie voor de vaak beperkte openingstijden, maar ook in het kader van de bewaarplicht en de grote voordelen die het op deze wijze ter beschikking stellen van de archieven met zich meebrengt.

Maar de archieven maken daarbij ook dankbaar gebruik van het publiek.  Een recent, maar prachtig voorbeeld daarvan is de bewerking van de Amsterdamse notariële archieven. Dit is een combinatie van digitaal integraal ter beschikking stellen van de originele bronnen, met daarnaast een doorzoekbare database op steekworden en namen. Voor meer voorbeelden verwijs ik u naar de site van velehanden.nl.

Ik kan het overigens niet laten om ten aanzien van regionale archiefjes een kritische opmerking te maken.

Ik sprak reeds eerder over de steeds beperktere openingstijden van de archieven. Me dunkt dat die beperktere openstelling vaak het gevolg is van krappere budgetten en de noodzaak tot steeds efficienter werken binnen de archiefwereld. 

Ik heb me dan ook enorm verbaasd, of eigenlijk groen en geel geërgerd, dat vanaf half jaren tachtig het ene na het andere regionale archief als paddestoelen uit grond schoot. 

En met al die streekarchiefjes verdwenen ook vele archiefstukken uit de voormalige rijksarchieven. Waar het voorheen duidelijk was in welke rijksarchief je je stukken kon vinden;  nu is dat nog maar de vraag en liggen de stukken in een of ander streekarchiefje. Efficiency van lik-m’n-vessie. Versnippering en verspilling van gelden al om. En nog maar niet te spreken over de kwaliteit van het bewaren. De overstroming van de kelder van het gemeentehuis van Wijk bij Duurstede waarin het regionaal archief was en is gevestigd is daar een voorbeeld van. Ik heb nog scherp op het netvlies het beeld van de in het water dobberende, uit het jaar 1300 daterende, stadsrechten van Wijk bij Duurstede.

Voor mijn eigen genealogisch onderzoek ben ik vaak aangewezen op het Oud Rechterlijk Archief van de Nederbetuwe. Dat is een mooi archief, waar veel in te vinden is. Ik heb dat vele jaren kunnen raadplegen in het Rijksarchief in Arnhem. Tot het moment dat de archiefmedewerker in Arnhem tot mijn afgrijzen mij verwees naar Tiel. Tiel heeft thans een prachtig archiefgebouw, maar is op geen enkele zaterdag open. En voor zover ik weet is hier nog geen mogelijkheid van scannen on demand. Dat beperkt mij enorm in mijn mogelijkheden tot archiefonderzoek in de Nederbetuwe. 

Terug naar de invloed van het internet op de genealogie. Naast het digitaliseren van de originele archiefbronnen is het internet bij uitstek een medium voor het “publiceren” van eigen genealogisch onderzoek

Bij publicatie op papier gaat er meestal een aanzienlijke tijd overheen voordat de gedrukte letters inderdaad op papier staan, om nog maar niet te spreken over het verspreiden van dat gedrukte papier daarna. Vanaf het moment van schrijven, tot het moment dat het bij u op de mat valt, of te koop ligt in de winkel, gaat er een geruime tijd overheen. Als men vervolgens ergens op wil reageren, gaat dat vaak weer op eenzelfde wijze, met eenzelfde tijdsspanne. 

Dat is op het internet totaal anders. Er zijn inmiddels legio gremia waar de geïnteresseerde genealoog met vragen terecht kan, maar ook zijn onderzoeksresultaten te berde kan brengen. Zo zeer zelfs, dat ik sterk de indruk heb, ik chargeer een beetje, dat veel mensen de hobby puur uitoefenen met wat zij op het internet vinden, zonder ooit een stap in een archief te hebben gezet, of ooit een origineel archiefstuk in handen hebben gehad. De drempel tot de genealogie is een stuk lager geworden. Dat zou positief en niet erg behoeven te zijn. Echter. Deze wijze van uitoefening van de genealogie heeft ook met zich meegebracht dat gegevens van anderen klakkeloos worden overgenomen, zonder enige controle of de betreffende gegevens wel juist zijn. Als men al melding maakt van bronnen, is er vaak sprake van verwijzing naar websites, mailverkeer en dergelijke. Vermelding van de originele archiefbronnen op zich is meestal ver te zoeken. We zijn beland in een digitale copy-and-paste-cultuur waar geen einde aan lijkt te komen. Zo positief als ik ben over het eerste aspect van de invloed van het internet op de genealogie, nl het online digitaal ter beschikking stellen van de originele archiefbronnen, zo negatief ben ik over dit andere aspect. Tot mijn afgrijzen spelen ook genealogische instellingen daarbij een rol. Het CBG stelt online structuren ter beschikking om op die manier genealogische gegevens te uploaden, maar schenkt onvoldoende aandacht aan bewijsvoering.  Het resultaat is, dat ook zij het copy-and-paste-gedrag daarmee fasciliteren. 

Op deze wijze ontstaat er een Butkens-effekt met een snelheid die je niet voor mogelijk houdt. 

Voor degenen die onbekend zijn met Christophorus Butkens. Hij werd te Antwerpen in 1590 geboren en overleed in Den Haag in 1650. Hij was prior van het Cisterciënzerklooster van St Salvator in Antwerpen, maar hij was en is na bijna 400 jaar nog steeds het meest bekend als historicus en genealoog. Butkens heeft eigenlijk twee grote publicaties op zijn naam staan. De in 1641 verschenen ‘Trophées tant sacrés que prophanes de la duché de Brabant’ dat haast een Brabantse encyclopedie genoemd kan worden met vele landkaarten, als ook de oorsprong, opvolging en afstamming van de hertogen uit het Brabantse Huis. Ook te vinden zijn talloze stambomen en familiewapens van de vazallen van de Brabantse hertogen. Dit werk werd in 1626 echter voorafgegaan door zijn ‘Annales généalogiques de la maison de Lynden’.

In Butkens’ Annales, verdeeld in 15 "livres", waarvan het laatste uit "preuves" bestaat, beschrijft Butkens de geschiedenis van de adellijke familie Van Lynden. Volgens Butkens stamde deze familie af van de Van Aspremonts en ging haar geschiedenis bewijsbaar terug tot de twaalfde eeuw. Naast afschriften van oorkonden zijn in de preuves ook afbeeldingen van zegels opgenomen. De andere "livres"" bevatten bovendien afbeeldingen van kastelen, grafzerken en portretten. De tekst van de ‘preuves’ bestaat uit 140 bladzijden tekstuele bewijsstukken, incl. zegelafbeeldingen, voor de genealogie, alles betrekking hebbende op het Betuwse deel van de familiegeschiedenis. Dit wordt gevolgd door 4 bladzijden met verklaringen ten aanzien van de echtheid van de geleverde bewijsstukken. 

De heer Nico Plomp heeft in het Jaarboek van het CBG 1999 er een prima artikel over geschreven. Zo schrijft hij ook dat reeds tijdens het leven van Butkens bleek dat vele door Butkens vermelde feiten niet klopten. Het huis Ter Lede bij Lienden bleek in werkelijkheid bij lange na niet zo prachtig als de afbeelding in het boek deed vermoeden. De oude muurschildering boven de schouw had men op Huis Ter Lede zelf nog nooit gezien. Een graftombe in het klooster te Rhenen, een glas in de kerk van Heukelum, grafmomumenten in de kapel van het klooster Mariënweerd te Beesd, ze bleken allemaal niet te bestaan. Zo werd hij dan ook door Petrus Scriverius (1576-1660) een onbeschaamde bedrieger genoemd. Maar ook Arnold Buchel had geen goed woord over voor Butkens’ Annales.  Dat neemt overigens niet weg dat Butkens’ Annales van anderen wel een warm  onthaal kreeg. Het boek was namelijk niet alleen voor de familie Van Lynden interessant, maar voor een breder publiek. 

Hetzelfde verhaal kan ook herhaald worden voor Butkens’ ‘Trophées tant sacrés que prophanes de la duché de Brabant’. 

Ten slotte stuitte ik zelf, bij mijn onderzoek naar de afstamming van de 15de eeuwse Van Leefdaels, op bewijsstukken die onmiskenbaar afkomstig zijn uit de smidse van Butkens. Met list en bedrog werd op die manier een afstamming van de Rhenense Van Leefdaels uit de 13de en 14de eeuwse Leefdaelse Van Leefdaels ‘bewezen’ en uiteindelijk zelfs geaccepteerd.

Nog steeds, in de 21ste eeuw, zijn er mensen die als bewijsvoering gegevens van Butkens opvoeren en niet eens altijd met zijn naam erbij. Soms onder het mom dat toch niet alles wat hij geschreven zal hebben vervalsingen zullen zijn. Dat laatste kan inderdaad het geval zijn, maar het kaf is niet meer van het koren te scheiden en daarom moet je bij bewijsvoering ver bij Butkens vandaan blijven. 

Door dit continue kopieergedrag van ‘onderzoekers’  door de eeuwen heen, zitten we nu nog opgescheept met genealogische rommel die soms nog steeds op de achtergrond onopvallend verweven ligt in genealogische publicaties die men zelfs tegenwoordig nog betrouwbaar acht.

Gelukkig was er in de tijd van Butkens geen internet. Maar we zitten wel nog steeds met zijn oplichterij opgescheept. Dit ter illustratie wat ik bedoel als ik zeg dat door het internet en het ongecontroleerd copy-and-paste-gedrag van velen er een Butkens-effekt met een duizelingwekkende snelheid ontstaat. Zo positief als ik over het internet en het online ter beschikking stellen van originele bronnen ben, zo negatief ben ik over het copy-and-paste-gedrag op het internet.  Dit vormt een serieus groot gevaar voor een verantwoorde uitoefening van onze hobby.

Want natuurlijk mag je jezelf voor de gek houden en een loopje nemen ten aanzien van bewijsvoering. Maar als je je gegevens niet voor je houdt bestaat het gevaar dat een ander die weer ongecontroleerd van je overneemt. Et cetera.

 

Voorts moeten we die bewijsvoering duidelijk en uitvoerig omschrijven. 

We kunnen dat niet beperkt laten tot een verwijzing naar een archief , een inventarisnr, een folio-nr, een datum. Nee, we moeten de bewijsvoering helemaal uitschrijven, met stukjes getranscribeerde teksten, en de conclusie die daaruit getrokken worden. En tot slot gevolgd door een résumé aan het eind, waarmee de totale bewijsvoering als enige conclusie getrokken moet kunnen worden.

Dat zou mijn stip aan de horizon zijn: iedere reeks zou op die manier per filiatie van bewijsvoering voorzien moeten worden.

En:  ...  een reeks op die manier opgezet en van bewijsvoering voorzien, die mag iedereen met alle plezier kopieren en plakken.  Zoveel als men maar wil!

 

Bronnen bij de bewijsvoering

Tot slot nog een paar korte opmerkingen over bronnen. 

Bij het opstellen van de bewijsvoering gaan we uit van bronnen. Ik onderscheid daarbij primaire en andere, laten we zeggen secundaire, of in ieder geval niet-primaire bronnen. Onder primaire bronnen versta ik de eigentijdse originele archiefstukken. 

Een paar voorbeelden: natuurlijk de burgelijke stand en de doop-, trouw- en begraafboeken, de eigentijdse notariële archieven, de eigentijdse rechterlijke archieven, de eigentijdse leenarchieven, en zo zijn er vele honderden eigentijdse originele archieven die als primaire bron in aanmerking kunnen komen.

Een kleine toelichting bij het woordje “originele”.  Er zijn ook transcripties van originele archiefstukken, en ook bewerkingen, zoals bijvoorbeeld de bewerkingen van de vele leenregisters door onder andere de heer J.C.Kort. In veel gevallen is er niets mis mee om deze transcripties en bewerkingen te gebruiken. Maar ook daar is voorzichtigheid geboden. Ook de heer Kort heb ik meerdere keren kunnen “betrappen” op een vergissing, die alleen aan het licht kwam door de originele bronnen – de originele archiefstukken zelf, te raadplegen. Daarbij spreek ik overigens geen waarde-oordeel uit over het werk van de heer Kort, want waar zouden wij genealogisch zijn zonder het gigantisch en geweldig werk wat hij verricht heeft?

Niet primaire-bronnen zijn eigenlijk alle bronnen die geen originele eigentijdse archiefstukken betreffen. Het zijn bronnen uit de tweede hand. 

Denk daarbij in de eerste plaats aan genealogische literatuur. 

Genealogische literatuur kan gebaseerd zijn op wat ik hierboven als primaire bronnen heb omschreven. Genealogische literatuur is vaak een bewerking, of een verwerking, of een interpretatie van primaire bronnen. Zie als voorbeeld het eerdergenoemde artikel van Ahoud over Beatrix Wtenweerde en dan met name het daarbij gevoegde uitgebreide notenapparaat.  Allemaal verwijzingen naar originele eigentijdse archivalia. Echter, wel opgesteld met de eigen interpretatie ten behoeve van het betreffende artikel. En niet alleen in dit onderhavige, maar in de meeste genealogische artikelen/literatuur wordt die interpretatie niet of nauwlijks omschreven, waardoor de lezer al snel geneigd is het voor “waar” aan te nemen en er vervolgende verder op te bouwen ten behoeve van zijn of haar eigen onderzoek. En dat is nu precies de achilleshiel waar ik het eerder over had. Het is daarom van essentieel belang dat filiaties in de reeksen, waarbij het niet uitmaakt of ze naar Karel de Grote, of naar een ander leiden, onderbouwd zijn met primaire bronnen, daarbij vermeldend:

  • De naam van het betreffende archief
  • De instantie waar het betreffende archief bewaard wordt
  • Het toegangsnummer van het archief, het inventarisnummer, het aktenummer, het folionummer, de datum
  • Als een gehele transcriptie “te veel van het goede” is, dan in ieder geval een transcriptie van de tekst waaruit het stukje bewijsvoering volgt
  • Uw eigen uitleg welke conclusies er volgens u uit de teksten voortvloeien en als de bewijsvoering gebaseerd is op meerdere stukjes informatie uit meerdere verschillende teksten ligt u dat geheel in een résumé eveneens toe. Daaruit moet duidelijk blijken hoe u tot uw conclusie gekomen bent.
  • Laat niets aan het toeval over
  • Gebruik geen afkortingen, hoe logisch ze ook voor u zelf zijn

Dan nog wat voorbeelden van nog meer niet-primaire bronnen:

  • Een internetsite
  • Een andere onderzoeker, ook al zijn ze van goede naam en faam
  • Mailwisseling
  • En ga zo maar door ..

Vaak zijn dit zelfs geen bronnen uit de tweede hand, maar door het continu knippen en plakken, uit de tweeduizendste hand. Met alle risico’s van dien.

Maar als alle filiaties van alle reeksen voorzien zouden zijn van bewijsvoering zoals hiervoor beschreven, dan zou ik met alle plezier alle kopieerders en plakkers uit willen nodigen om die reeksen te gaan knippen en plakken. 

 

keizerkarel

keizerkarel



Plaats een reactie

Om reacties (en nieuwe onderwerpen) te plaatsen op het Stamboom Forum dient u eerst in te loggen! Nog geen lid? Registratie is gratis en snel!