Op 30 december jl. verscheen een interview met de voorzitter van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) in de NRC. Mede naar aanleiding daarvan een paar opmerkingen.
Die opmerkingen maak ik als in de oorlog geboren zoon van een omgekomen verzetsman. Van zijn activiteiten weten wij, mijn broer en ik, zo goed als niets. De openbaarmaking van het CABR zou ons de mogelijkheid hebben gegeven tot digitaal zoeken. De voordelen daarvan boven het opvragen van een dossier (waarvan je dan al een naam moet kennen) behoef ik hier niet uit te leggen. Als zoethoudertje wordt nu aangegeven dat mensen naar het NA mogen komen om daar digitaal te zoeken. In het genoemde interview staat dat er welgeteld één (1) terminal voor dit zoeken beschikbaar is! Bovendien gelden daar de bestaande regels bij raadpleging van dit archief (alleen aantekeningen maken, niet fotograferen).
Wanneer mijnheer Wolfsen, de voorzitter van de AP, argumenteert dat de voorstanders van openbaarmaking zeggen “U bent nu 90 jaar oud, uw privacy doet er minder toe?”, ben ik dat niet eens met hem oneens. Maar mag ik dan ook zeggen dat ik als ruim 80-jarige meen recht te hebben op (verondersteld aanwezige) informatie over mijn vader? Als er welgeteld één terminal (voor hoe lang p.p.?) beschikbaar is, dan ben ik met wat geluk, over een jaar of wat aan de beurt. Hopelijk ben ik tegen die tijd niet terminaal (geen grapje) want mijn tijd is statistisch gezien beperkt. Ik zou dan van de voormalig rechter, want dat is de heer Wolfsen, verwachten dat waar er twee belangen in het spel zijn, hij tot een afweging van belangen komt resp. laat komen. Dat zo’n afweging gemaakt is, lees ik nergens. Er wordt, n.m.m., gekozen voor een rigoureuze toepassing van deze wet dan wel voor een uitleg daarvan. De andere belanghebbenden worden hiermee, mogelijk definitief, terzijde geschoven.
Een citaat uit het NRC-interview:
“De waarschuwing [van de AP] kwam onverwacht. De voorganger van [minister] Bruins, Robbert Dijkgraaf (D66), had het project omarmd en de digitale openstelling was al breed uitgemeten in de media. Ook ambtenaren van de Autoriteit waren al lang op de hoogte. Anderhalf jaar eerder waren zij tijdens een werkbezoek aan het Nationaal Archief uitvoerig geïnformeerd. Nergens gingen alarmbellen af. Wolfsen zelf wist van het project, volgde de berichtgeving erover in de media maar liet zich, naar eigen zeggen, geruststellen. Want het leek allemaal zo zorgvuldig. Er was een ‘ethisch beraad’ van direct betrokkenen (Joodse organisaties, oud-verzetsstrijders en nazaten van toenmalige verdachten) en in de media was er geen wanklank, blikt Wolfsen terug. „Alles leek te getuigen van buitengewoon zorgvuldige voorbereiding, alles leek in lijn met geldende wetgeving.
Totdat Wolfsen zich afgelopen najaar realiseerde dat het hele archief „zonder één drempel, zonder waarborgen voor de hele wereld toegankelijk zou worden.”
Bovenstaande getuigt niet alleen van een weinig alerte opstelling van deze Autoriteit. Er is ook “geen wanklank” gesignaleerd. Dus de vraag blijft, waarom dan toch deze opstelling van de AP? Fiat iustitia ruat caelum*?
* Laat gerechtigheid geschieden ook al stort de hemel in.